Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Vaststelling

Onderdeel van Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2024

1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 12 heeft plaatsgevonden. 2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 12, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 9, derde tot en met vijfde en negende lid, of artikel 11, derde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per mobiliteitsmaatregel. 3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval: het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering; het uitgekeerde voorschot; indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag. 4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke mobiliteitsmaatregel de vaststelling ziet. 5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen. 6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterende financiële tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterende financiële tekort, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g, van het resterende financiële tekort.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel