Opleidingen met kleinschalig en intensief onderwijs, of programma’s binnen die opleiding, kunnen onder bepaalde voorwaarden studenten selecteren en in combinatie hiermee een hoger collegegeld vragen dan het wettelijk collegegeld. Hiervoor dienen zij eerst bij de NVAO het bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs (BKKI) aan te vragen (initiële toets). Na toekenning adviseert de NVAO de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de opleiding toestemming te verlenen voor selectie en collegegeldverhoging.
Deze toestemming geldt voor onbepaalde tijd, maar opleidingen moeten eenmalig binnen zes jaar na de initiële toets inzicht geven of zij de doelstellingen ten aanzien van het kleinschalig en intensief onderwijs hebben gerealiseerd en een bovengemiddeld rendement hebben behaald (praktijktoets). Bij elke nieuwe accreditatieaanvraag toont de opleiding aan dat zij nog voldoet aan de criteria voor het BKKI.
De criteria zijn ruim geformuleerd om de instellingen maximaal de ruimte te geven om zich te profileren aan de hand van door henzelf gekozen onderwerpen.
De doelstellingen en beoogde leerresultaten zijn gericht op het bereiken van een bovengemiddeld niveau in een of meer wetenschappelijke disciplines en/of de beroepspraktijk(en) in het betreffende domein. Daarnaast richt de opleiding zich op verbreding en een daarbij passende ontwikkeling van persoonlijke attitudes en vaardigheden.
Het curriculum en de extra-curriculaire activiteiten vormen een onlosmakelijk geheel. De inhoud ervan sluit aan op het geambieerde niveau en de verbreding zoals geformuleerd in de beoogde leerresultaten. Studenten en docenten verzorgen de extra-curriculaire activiteiten in gezamenlijkheid.
Het didactisch concept gaat uit van een uitdagende leeromgeving, kleinschalig en intensief vormgegeven onderwijs en een leergemeenschap van studenten en docenten. De kleinschaligheid en intensiteit van het onderwijs blijken uit de mate van participatie en voorbereiding die van de student verwacht wordt. De inrichting van het programma is erop gericht dat studenten een nominale studievoortgang hebben, inclusief extra-curriculaire activiteiten.
De opleiding hanteert een adequate selectieprocedure gericht op de instroom van gemotiveerde en academisch en/of professioneel getalenteerde studenten, waarin geschiktheid en interesse voor het kleinschalig en intensieve onderwijsconcept, in combinatie met extra-curriculaire activiteiten, tot de criteria behoren.
Er is voldoende personeel om kleinschalig en intensief onderwijs te kunnen verzorgen, en intensief contact tussen docenten en studenten en individuele begeleiding aan studenten buiten het onderwijs vorm te kunnen geven. De docenten hebben aantoonbaar de benodigde specifieke expertise en bekwaamheid voor de doelstellingen van kleinschalig en intensief onderwijs. De opleiding bewaakt actief dat docenten de benodigde kwalificaties hebben en zorgt, indien nodig, voor scholing van docenten op deze aspecten.
De opleiding beschikt over een eigen infrastructuur met voorzieningen voor kleinschalig en intensief onderwijs en gemeenschappelijke extra-curriculaire activiteiten.
De inhoud en het niveau van de toetsen en de eindwerkstukken zijn in lijn met het niveau en de verbreding zoals geformuleerd in de beoogde leerresultaten. Afgestudeerden worden toegelaten tot veeleisende vervolgopleidingen en/of functies. De rendementen zijn substantieel hoger dan bij relevante andere opleidingen waaraan niet het bijzonder kenmerk is toegekend, en ten minste vergelijkbaar met relevante andere opleidingen die dat wel hebben.
Oordeel per criterium initiële toets en praktijktoets
Het panel voorziet elk criterium van een oordeel:
Voldoet:
de opleiding voldoet op het criterium aan basiskwaliteit.
Voldoet niet:
de opleiding voldoet op het criterium niet aan basiskwaliteit.
Aanvullende beslisregels initiële toets
Criterium G wordt alleen prospectief beoordeeld.
Eindoordeel
Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over het bijzonder kenmerk. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:
Positief:
op alle criteria is het oordeel ‘voldoet’.
Negatief:
op een of meer criteria is het oordeel ‘voldoet niet’.
Alle bestaande opleidingen in het hoger onderwijs of programma’s daarbinnen kunnen een aanvraag doen voor toekenning van het BKKI. Daarnaast kan de aanvraag voor het BKKI ook worden meegenomen in een toets nieuwe opleiding. Bij een aanvraag voor het BKKI geeft de instelling aan dat zij het oogmerk heeft om toestemming te verkrijgen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het selecteren van studenten en het heffen van een verhoogd wettelijk collegegeld.
Voor het bijzonder kenmerk zijn er drie verschillende toetsmomenten: de instaptoets, de toetsing aan de praktijk en de verlenging van het bijzonder kenmerk. De instaptoets en de toetsing aan de praktijk vormen de basis voor een advies aan de Minister van OCW waarmee toestemming wordt verleend voor het selecteren aan de poort en het vragen van verhoogd collegegeld. De verlenging van het bijzonder kenmerk is direct gekoppeld aan de heraccreditatie van de opleiding door de NVAO.
Bij voorkeur wordt het BKKI beoordeeld in de context van een visitatie of toets nieuwe opleiding. Voor een bestaande opleiding kan het echter ook los van de visitatie worden aangevraagd en beoordeeld door een panel van onafhankelijke deskundigen.
De NVAO stelt aanvullende eisen aan de panelsamenstelling voor de beoordeling van het BKKI. In het panel moeten een of meer deskundigen zitten die ervaring hebben met eerdere beoordelingen van het bijzonder kenmerk of op andere wijze expertise op dit gebied hebben opgedaan.
Artikel 6
Bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs
Onderdeel van Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 4 maart 2024