De instellingstoets kwaliteitszorg is een periodieke, externe en onafhankelijke beoordeling van de interne kwaliteitszorg van het onderwijs binnen een instelling. In deze toets wordt vastgesteld dat het interne kwaliteitszorgsysteem in samenhang met de kwaliteitscultuur verzekert dat de instelling de eigen visie op goed onderwijs in de praktijk realiseert en duurzaam werkt aan ontwikkeling en verbetering. Een extern panel van onafhankelijke deskundigen voert de instellingstoets kwaliteitszorg uit op basis van peer review.
Als een instelling de instellingstoets met positieve uitkomst doorlopen heeft, kent de NVAO de erkenning ITK toe. Deze geeft de instelling voor de duur van de geldigheid van de erkenning ITK het recht om bij de beoordeling van nieuwe en bestaande opleidingen een aantal aspecten van de standaarden 1 en 2 en de standaarden 5 en 6 van het kader voor opleidingen buiten beschouwing te laten.
Standaard 1: De instelling beschikt over een breed gedragen onderwijsvisie en een daarbij aansluitend beleid gericht op de interne kwaliteitszorg van haar onderwijs.
De instelling kent een duidelijke en in alle geledingen gedeelde visie op goed onderwijs. Docenten en studenten dragen de visie en ontwikkelen deze in onderlinge samenspraak en met externe stakeholders. De onderwijsvisie is actueel door periodieke afstemming op de relevante (veranderende) omgeving. De onderwijsvisie is vertaald naar expliciete uitgangspunten voor kwaliteitszorg. De onderwijsvisie is, in overeenstemming met de ESG, studentgericht (student centred learning).
Standaard 2: De instelling verwezenlijkt de onderwijsvisie op doeltreffende wijze, blijkend uit passende beleidsacties en -processen met name op het gebied van personeel, toetsing, voorzieningen, en studenten met een functiebeperking.
De onderwijsvisie is adequaat vertaald naar concrete beleidsacties en -processen. De instelling kent processen voor ontwerp, erkenning en borging van de kwaliteit van opleidingen in overeenstemming met de ESG en toont de werking en toepassing van deze processen aan op basis van een track record. Studenten en medewerkers zijn mede-eigenaar van het beleid en dragen vanuit de gezamenlijke visie bij aan de realisatie ervan. Uit die betrokkenheid blijkt de realisatie van de beoogde kwaliteitscultuur van de instelling.
De uitvoering is in overeenstemming met de visie: personeel, toetsing en voorzieningen bevorderen de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs.
Standaard 3: De instelling evalueert stelselmatig of zij de beoogde beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijskwaliteit realiseert. Daarbij betrekt zij relevante stakeholders.
De instelling organiseert effectieve feedback die de realisatie van het beleid ondersteunt. Hierbij zet zij passende evaluatie- en meetactiviteiten in, die bestendig verankerd zijn in de instelling. Die instrumenten leveren inzichtelijke informatie die bruikbaar is bij het formuleren van gewenste kwaliteitsontwikkeling. Onderdeel is een transparante werkwijze om risico’s te signaleren, te rapporteren en waar nodig te handelen, gericht op verbeteren. De reflectie op de uitkomsten is onderdeel van het organisatiemodel en geeft in alle lagen van de organisatie en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de beleidsuitvoering.
Het is niet noodzakelijk dat de meet- en evaluatieactiviteiten instellingsbreed uniform zijn. Het gaat immers om de effectiviteit. Studenten, medewerkers, alumni en deskundigen uit het maatschappelijke veld spelen een actieve rol bij de evaluaties. De instelling publiceert accurate, actuele en toegankelijke informatie over de evaluatieresultaten.
Standaard 4: De instelling is gericht op ontwikkeling en werkt systematisch aan de verbetering van haar onderwijs.
Op grond van feedback en reflectie op de resultaten zijn doelgerichte maatregelen genomen om het beleid of de uitvoering te versterken, te verbeteren of bij te stellen. Het opvolgen van verbetermaatregelen is verankerd in de organisatiestructuur. Het ontwikkelbeleid van de instelling stimuleert alle betrokkenen om bij te dragen aan innovatie en kwaliteitsverbetering. Interne en externe stakeholders zijn geïnformeerd over de ontwikkelingen die in gang worden gezet op grond van de evaluatieresultaten. De instelling verbetert zich doorlopend en sluit aan op de (veranderende) omstandigheden en verwachtingen van studenten en werkgevers.
Oordeel per standaard
Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:
Voldoet:
de instelling voldoet aan de standaard.
Voldoet ten dele:
de instelling voldoet in belangrijke mate aan de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).
Voldoet niet:
De instelling voldoet niet aan de standaard.
Eindoordeel
Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de instelling. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:
Positief:
op alle standaarden ‘voldoet’.
Positief onder voorwaarden:
maximaal op twee standaarden een ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).
Negatief:
‘voldoet niet’ op een of meer standaarden en eveneens bij drie of meer ‘voldoet ten dele’.
Aanvullende beslisregels voorwaarden
Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de instelling in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.
Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de instelling binnen twee jaar verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar, dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.
De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is dat binnen twee jaar aan de voorwaarden kan worden voldaan, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.
Aanbevelingen
Het panel kan bij iedere standaard suggesties voor verbetering doen die in de rapportage worden onderscheiden van de onderbouwing van de oordelen.
De erkenning ITK is zes jaar geldig. Minstens één jaar voor het eind van de geldigheidsduur vraagt een instelling bij de NVAO een verlenging aan. Instellingen die nog geen erkenning ITK hebben, kunnen deze op elk moment bij de NVAO aanvragen. Instellingen beslissen zelf of zij een instellingstoets aanvragen.
Ter voorbereiding op de instellingstoets stelt de instelling een zelfevaluatie op van beperkte omvang, waarin de sterke en de zwakke punten van de instelling staan beschreven. De zelfevaluatie wordt ter advisering voorgelegd aan de voor de instelling toepasselijke medezeggenschaps- of inspraakorganen.
De NVAO stelt een panel samen en overlegt met de instelling over de planning en inrichting van de beoordeling. In beginsel voert het panel twee locatiebezoeken uit: een verkennend en een verdiepend bezoek. Het panel biedt betrokkenen bij de instelling de gelegenheid om ook buiten de gesprekken van het locatiebezoek in vertrouwelijkheid zaken naar voren te brengen die zij van belang achten voor de beoordeling.
Het panel stelt een rapport op waarin aan de hand van de standaarden de bevindingen en overwegingen van het panel zijn beschreven. Het rapport bevat een oordeel per standaard en een gemotiveerd eindoordeel. Als het panel voorwaarden voorstelt, zijn deze expliciet in het rapport genoemd bij de betreffende standaard. De NVAO neemt een besluit op basis van dit rapport. De NVAO kan daarbij nadere toelichting vragen aan het panel.
De NVAO benadert na afronding van de besluitvorming over de erkenning ITK de instelling en de panelleden om de procedure te evalueren.
Artikel 5
Instellingstoets kwaliteitszorg
Onderdeel van Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 4 maart 2024