ANBI’s moeten hun inkomsten daadwerkelijk besteden aan de algemeen nuttige doelstelling. Een ANBI moet meer dan 90% van haar bestedingen algemeen nuttig doen. Zij mag daarom niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.2Artikel 1a, lid 1, sub d juncto artikel 1b UR AWR. Dit vereiste wordt ook wel aangeduid als het bestedingscriterium of anti-oppoteis.3In dit besluit wordt de term ‘bestedingscriterium’ gehanteerd. Deze voorwaarde is opgenomen om zeker te stellen dat de ANBI de gelden die voor het algemeen nut zijn bestemd, besteedt conform haar algemeen nuttige doelstelling en niet nodeloos vermogen oppot.
De voorwaarden waaraan een investering moet voldoen om als algemeen nut investering te kunnen worden aangemerkt, zijn opgenomen in onderdeel 3. In dit onderdeel wordt onder het begrip ‘investering’ voor de toepassing van dit besluit verstaan het ter beschikking stellen van geld en/of goederen, al dan niet tegen verkrijging van aandelen of winstbewijzen, waarvan de (tegen)waarde zichtbaar blijft als activum bij de investerende ANBI. Onder het ter beschikking stellen van geld valt ook het verstrekken van leningen.
Als een investering voldoet aan de voorwaarden van onderdeel 3, dan kwalificeert deze investering als een algemeen nuttige activiteit en daarmee als vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
Artikel 2
Bestedingscriterium
Onderdeel van Besluit algemeen nut investeringen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 3 april 2024