Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Het opleggen van het uitreisverbod

Onderdeel van Circulaire uitreisverbod personen ex Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 24 april 2024

De Minister van JenV is op grond van artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding bevoegd een persoon een uitreisverbod op te leggen. Daartoe moet het gegronde vermoeden bestaan dat deze persoon zich buiten het Schengengebied zal begeven met als doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Dat betreft een organisatie die door de Minister van JenV, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Met deze regeling is beoogd het risico te reduceren dat personen zich kunnen aansluiten bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een (inter)nationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.3Kamerstukken II 34 359, nr. 3, blz. 3 ev. Een uitreisverbod wordt opgelegd voor een periode die door de Minister van JenV wordt bepaald. Deze periode mag maximaal zes maanden zijn. Het uitreisverbod kan niettemin telkens worden verlengd met wederom een duur van ten hoogste zes maanden. Er is geen maximum aan het aantal verlengingen. Verlenging van een uitreisverbod is overigens geen automatisme.Ten aanzien van de motivering van het uitreisverbod, met inbegrip van de duur ervan, gelden bij een verlenging dezelfde vereisten als bij het initiële besluit tot oplegging. De periode dat een vrijheidsbeperkende maatregel reeds loopt, wordt in het kader van de proportionaliteit meegewogen. De Minister van JenV kan een lopend uitreisverbod intrekken, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Wanneer een uitreisverbod niet langer noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het doel waarvoor dit is opgelegd, is het gelet op het vrijheidsbeperkende karakter niet wenselijk dat de inbreuk op de vrijheid van betrokkene langer voortduurt dan nodig. Daarom hoeft in die gevallen het eerstvolgende beslismoment omtrent het al dan niet verlengen van de maatregel niet te worden afgewacht. Naast het intrekken van een uitreisverbod op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, kan de Minister van JenV ook, op aanvraag van de betrokkene, tijdelijk ontheffing verlenen van het uitreisverbod. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, bijvoorbeeld over een beperkte territorialiteit of geldigheid van de ontheffing. Tegen een besluit tot het opleggen of verlengen van een uitreisverbod kan betrokkene rechtstreeks in beroep bij de bestuursrechter. Een ingesteld beroep schorst niet automatisch de werking van het uitreisverbod, waardoor het uitreisverbod in beginsel onmiddellijk van kracht is. Betrokkene kan wel bij de rechtbank om een voorlopige voorziening verzoeken, strekkende tot schorsing van het uitreisverbod. De voorzieningenrechter kan dat verzoek inwilligen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een dergelijke voorlopige voorziening vereist. De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel