Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2

Artikel 2.8

Verklaring omtrent gedrag

Onderdeel van Wet kinderopvang BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum, zijnde de directeur en bestuurders, en de gastouder of voorgenomen gastouder; de personen die in dienst zijn van de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn, dan wel zullen zijn, op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; de personen die op vrijwillige basis structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie van waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; de personen van 18 jaar en ouder die structureel aanwezig zijn op de locatie waar gastouderopvang plaatsvindt; en de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen. 2. De verklaring omtrent het gedrag is op het tijdstip van overlegging aan de houder van het kindercentrum of de gastouder niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd. 3. Het tijdstip van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag ligt voor de aanvang van de werkzaamheden of het structureel aanwezig zijn op een locatie van een kindercentrum dan wel een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt. 4. Indien een toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van twaalf jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum of aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum of gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder of gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden. 5. Een houder van een kindercentrum of gastouder bewaart de verklaringen omtrent gedrag gedurende drie jaar.

Rechtspraak bij dit artikel