Een belang in een beleggingsinstelling van 25% of meer moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (artikel 13a Wet Vpb 1969). Als een beleggingsinstelling uit een dergelijk belang een dividend ontvangt en hierdoor de waarde van het belang daalt, zijn de gevolgen voor de uitdelingsverplichting van de ontvangende beleggingsinstelling de volgende.
Het door een beleggingsinstelling ontvangen dividend dient steeds in haar belastbare winst en daarmee in haar uitdelingsverplichting te worden begrepen. Dit lijdt slechts uitzondering bij meegekocht dividend. Aldus wordt recht gedaan aan doel en strekking van het fiscale regime voor beleggingsinstellingen. Voor zover het ontvangen dividend daarbij tot een koersverlies leidt, wordt dat afgewikkeld via de herbeleggingsreserve (als gekozen is voor de vorming van een herbeleggingsreserve).
Beursgenoteerde beleggingsinstellingen die beleggen in onroerende zaken keren regelmatig dividend uit in verband met commerciële winst die fiscaal nog niet is gerealiseerd. Bijvoorbeeld dividend in verband met door een dochter behaalde, maar nog niet uitgedeelde vervreemdingswinst op vastgoed. Bij latere uitdeling door de dochter moet de moeder fiscaal winst nemen en op grond van de uitdelingsverplichting uitdelen wat economisch beschouwd al is uitgedeeld. Om deze dubbele uitdeling te voorkoming heb ik besloten tot de volgende goedkeuring.
Voor zover in van deelnemingen ontvangen dividenden middellijk of onmiddellijk vervreemdingswinsten zijn begrepen op onroerende zaken die niet zijn herbelegd, worden deze op een vóór het indienen van de aangifte over het desbetreffende jaar aan de bevoegde inspecteur gedaan schriftelijk verzoek behandeld als meegekocht dividend, als tevens aannemelijk is dat het saldo van de uitdelingen van winst van de beleggingsinstelling in de voorafgaande negen jaren het saldo van de uitdelingsverplichtingen over die jaren overtreft.
Bij de toepassing van deze goedkeuring kan worden aangesloten bij de vervreemdingswinst zoals verantwoord in de commerciële jaarrekening van de betreffende dochter, als de fbi aannemelijk maakt dat ter zake van deze door de dochter behaalde vervreemdingswinst door de fbi al eerder dividend is uitgekeerd.5Deze alinea is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:011:2023:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Projectontwikkeling is geen beleggen. Een fbi kan daarom zelf in beginsel6Wettelijke uitzondering geregeld in artikel 28, derde lid, onderdeel b. niet aan projectontwikkeling doen. Het houden van aandelen in en besturen van een zogenoemde ontwikkelingsdochter is wel mogelijk, krachtens artikel 28, derde lid, onder a.7Met ingang van 1 januari 2025 beperkt artikel 28, derde lid, onderdeel a, de ontwikkeling van vastgoed door een ontwikkelingsdochter van de FBI ten behoeve van de FBI of met de FBI verbonden FBI’s tot het ontwikkelen van niet in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen (Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling).
Kenmerkend voor de ontwikkeling van vastgoed door de ontwikkelingsdochter van artikel 28, derde lid, is dat het ‘lichaam in de ontwikkelingsfase substantiële zeggenschap heeft over de vormgeving van een project of als een lichaam substantieel risico loopt met betrekking tot de realisatie of de waarde van een project’8Kamerstukken II 2005/06, 30 689, nr. 3, p. 4.. Deze substantiële inhoud van de werkzaamheden van een ontwikkelingsdochter brengt met zich mee dat geen sprake is van een routinematige functie, maar van een entrepreneursfunctie. Een dergelijke entrepreneursfunctie gaat gepaard met aanzienlijke en projectspecifieke unieke risico’s en de beloning ervan is niet te benchmarken door vergelijking met andere onafhankelijke partijen in de markt. Het past daarom in zijn algemeenheid niet om bij dergelijke activiteiten de zakelijke beloning te bepalen op basis van een kostengerelateerde beloning zoals de Cost-Plus methode of de Transactional Net Margin methode met een netto operationele winstmarge op de kosten als ‘profit level indicator’.
De volledige waardemutatie van het ontwikkelde vastgoed vanaf de aanvang van de planfase/initiatieffase tot de voltooiing van het project kan bij de bepaling van een zakelijke vergoeding een goede aanwijzing vormen voor de beloning van de ontwikkelingsdochter; rekening houdend met de autonome waardemutatie van het ontwikkelde vastgoed, dat wil zeggen de waardemutatie niet veroorzaakt door de ontwikkeling van het vastgoed.
Ook de bedoeling van het fbi-regime voor de ontwikkelingsdochter pleit tegen het gebruik van een kostengerelateerde beloning. De wetsgeschiedenis toont uitdrukkelijk dat de wetgever beoogt de volledige projectontwikkelingswinst bij de ontwikkelingsdochter in de belastingheffing te betrekken. Een kostengerelateerde beloning zou ertoe leiden dat (mogelijk) niet de volledige ontwikkelingswinst bij de ontwikkelingsdochter wordt belast en is in dergelijke situaties dan ook strijdig met de bedoeling van de wetgever.
Beleggingsinstellingen kunnen er voor kiezen in het eerste jaar ten laste van de winst een herbeleggingsreserve te vormen (artikel 4 BBI).
Artikel 4, tweede lid, BBI maakt een onderscheid tussen effecten en overige beleggingen. Ten aanzien van effecten kan het saldo van ‘koerswinsten en koersverliezen’ in de herbeleggingsreserve worden opgenomen, terwijl van de overige beleggingen het saldo van ‘winsten en verliezen ter zake van vervreemding’ wordt gedoteerd. De kwalificatie van bepaalde beleggingen als effecten is daardoor van belang.
Inschrijvingen in schuldregisters zijn aan te merken als effecten als zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
de inschrijving in het schuldregister maakt deel uit van een lening waarin ook (naar keuze van de inschrijver) kan worden deelgenomen in de vorm van schuldbewijzen welke ter beurze worden genoteerd;
voor de inschrijving in het schuldregister gelden geen van het overige deel van de lening afwijkende regelingen met betrekking tot looptijd, rente en aflossing;
de inschrijving in het schuldregister is verhandelbaar;
de verhandeling van de inschrijving in het schuldregister is, behoudens het stellen van voorwaarden aan de omvang van gedeeltelijke verhandeling, niet onderworpen aan enige goedkeuring door de schuldenaar;
de inschrijving in het schuldregister kan op verzoek van de houder van die inschrijving worden omgezet in aan hem te verstrekken schuldbewijzen als onder a bedoeld;
het onder e bedoelde recht tot omzetting kan door de houder van de inschrijving worden uitgeoefend tot ieder door hem gewenst bedrag;
voor de omzetting van de inschrijving in het schuldregister in schuldbewijzen is niet de goedkeuring van de schuldenaar vereist.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat aan bovenstaande voorwaarden voldoen de inschrijvingen in het schuldregister bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën ter zake van staatsleningen waarop de ‘Regeling schuldregisters Nederlandse staatsleningen 2003’ van 17 december 2003 (Stcrt. 2004, 16) van toepassing is.
In onderdeel 7.3 keur ik goed dat koers- en vervreemdingswinsten al in de loop van het jaar als uitdeling uit de herbeleggingsreserve vrij van dividendbelasting kunnen worden uitgekeerd. Deze goedkeuring laat onverlet dat de inspecteur het (jaar)saldo van de toevoeging en vermindering van de herbeleggingsreserve slechts éénmaal per boekjaar in een beschikking vaststelt. Hiertoe wordt na afloop van het boekjaar het verloop van de herbeleggingsreserve op jaarbasis beoordeeld. Als door latere verliezen blijkt dat meer ten laste van de herbeleggingsreserve is gebracht dan op jaarbasis mogelijk zou zijn, wordt dat meerdere aangemerkt als een verlies ter zake van vervreemding van beleggingen in het volgende jaar. De inspecteur stelt het naar volgend jaar over te brengen verlies vast bij voor bezwaar vatbare beschikking in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, BBI.
Als gekozen is voor het vormen van een herbeleggingsreserve wordt het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten niet tot de winst gerekend maar gedoteerd aan de herbeleggingsreserve. Daarbij is de jaardotatie gelimiteerd door het aan de herbeleggingsreserve gestelde plafond (artikel 4, vijfde lid, BBI). Hierdoor kan een positief saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten in een jaar niet (volledig) aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd als sprake is van een samenloop met een uitdelingstekort. De wetgeving voorziet wel in de mogelijkheid van een verrekening van het uitdelingstekort maar niet in de mogelijkheid om in een later jaar alsnog een (inhaal)dotatie aan de herbeleggingsreserve te doen. Teneinde de regeling in overeenstemming te brengen met de bedoeling keur ik het volgende goed.
Als in een jaar het positieve saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten door het bereiken van het plafond van de herbeleggingsreserve, niet of niet volledig aan de herbeleggingsreserve kan worden toegevoegd wordt op verzoek van de belastingplichtige het overschot door de inspecteur vastgesteld. Het door de inspecteur vastgestelde bedrag mag vervolgens in één of meer van de daarop volgende jaren aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd voor zover het aan de herbeleggingsreserve gestelde plafond daarvoor de ruimte biedt.
Beleggingsinstellingen kunnen een afrondingsreserve vormen (artikel 5 BBI). De afrondingsreserve heeft tot doel het lichaam in staat te stellen de uit te delen winst vast te stellen op een afgerond bedrag. De afrondingsreserve bedraagt maximaal 1% van wat is gestort op de bij het einde van het boekjaar in omloop zijnde aandelen (artikel 5, tweede lid, BBI). Hierbij moet onder het op aandelen gestorte kapitaal ook worden verstaan de eventuele storting van agio. Voor de volledigheid merk ik op dat de herbeleggingsreserve voor de berekening van de afrondingsreserve geen deel uitmaakt van het op aandelen gestorte kapitaal.
Artikel 5
Winstbepaling beleggingsinstelling
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; fiscale beleggingsinstelling; toepassing artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 2024