In artikel 28, tweede lid, onderdeel b, is de zogenoemde uitdelingsverplichting opgenomen. Deze houdt in dat binnen acht maanden na afloop van het boekjaar de voor uitdeling beschikbare winst moet worden uitgedeeld aan de aandeelhouders en deelgerechtigden. De volgende beleidsonderdelen hebben betrekking op deze uitdelingsverplichting.
In 6.1.1. en 6.1.2. zijn twee situaties beschreven waarin een (gedeeltelijke) ontheffing van de uitdelingsverplichting wordt gegeven (6.1.3.). In 6.1.4. is een beschrijving opgenomen van een situatie waarin geen ontheffing van de uitdelingsverplichting wordt verleend.
Op het moment waarop de commerciële winst van een beleggingsinstelling wordt vastgesteld zijn soms nog niet de bedragen bekend die op grond van artikel 3 BBI in de fiscale winst moeten worden begrepen ter zake van ontvangen bonusaandelen, split-ups en dergelijke. Het kan voorkomen dat door die onbekendheid, de over het jaar in feite verrichte uitdelingen zijn achtergebleven bij de op de voet van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, te verrichten uitdelingen.
Het kan voorkomen dat positieve beleggingsresultaten worden behaald die tot een uitdelingsverplichting leiden (zoals de ontvangst van dividenden, huur en rente), maar dat daarnaast (grote) vermogensverliezen worden geleden. De uitdelingsverplichting kan dan groter zijn dan het volgens Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde eigen vermogen verminderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. De uitdelingsverplichting dwingt dan tot een dividend dat groter is dan de zogenoemde vrije reserves. Dit acht ik ongewenst.
Voor de volledigheid merk ik op dat de voor deze situatie (in 6.1.3.) opgenomen goedkeuring (mede) ongewijzigde voortzetting beoogt van de in een vorige versie van dit besluit opgenomen goedkeuring met betrekking tot het zogenoemde civielrechtelijke dividendmaximum van artikel 216 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Met ingang van 1 oktober 2012 is dit artikel zodanig gewijzigd dat onder omstandigheden uitdeling ook mogelijk is zonder vrije reserves, tenzij – kort gezegd – het bestuur vindt dat de vennootschap daarna haar opeisbare schulden niet zal kunnen betalen. Mede om te voorkomen dat de Belastingdienst bij afwezigheid van vrije reserves moet beoordelen of de betalingscapaciteit toch uitdeling toestaat, heb ik besloten om voor de onderhavige goedkeuring aan te blijven sluiten bij de afwezigheid van zogenoemde vrije reserves en heb ik de goedkeuring aangepast zoals hierboven vermeld.
Voor zover door omstandigheden zoals beschreven in 6.1.1. en 6.1.2. niet is voldaan aan de uitdelingsverplichting van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, keur ik goed dat dit tekort wordt toegevoegd aan de afrondingsreserve. Dit bedrag komt ten laste van de winst van het jaar waarop de hiervoor genoemde uitdelingsverplichting betrekking heeft. Op deze toevoeging vindt de laatste volzin van artikel 7, eerste lid, BBI overeenkomstige toepassing.
Onder omstandigheden kan vanwege de fiscale winst sprake zijn van een uitdelingsverplichting die uitgaat boven de winstreserves in de commerciële jaarrekening. Bij aanwezigheid van een agioreserve is in zoverre echter geen sprake van het afwezig zijn van vrije reserves als bedoeld onder 6.1.2. Uitkeringen ten laste van de agioreserve kunnen evenwel niet worden aangemerkt als het voldoen aan de uitdelingsverplichting (zie Kamerstukken II 1968/69, 6 000, nr. 22, blz. 17rk en Kamerstukken I 1989/90, 20 701, nr. 78d, blz. 15). Vanuit de praktijk is verzocht om een oplossing in de beleidsmatige sfeer. Naar mijn mening is dat echter niet nodig. De oorzaak van het probleem is dat de commerciële winstberekening kennelijk onvoldoende aansluit bij de fiscale winstberekening waarvoor de beleggingsinstelling met een herbeleggingsreserve in feite heeft gekozen (art. 1a BBI en art. 4 BBI). De fiscale beleggingsinstelling dient aan haar uitdelingsverplichting te voldoen. Civielrechtelijk is uitkering toegestaan. Fiscaalrechtelijk is daarbij van belang dat uitkering geschiedt als dividend. Het is vervolgens zaak om de boekhouding te doen aansluiten bij die realiteit.
Een beleggingsinstelling moet de ter beschikking te stellen winst gelijkelijk verdelen over alle aandelen en bewijzen van deelgerechtigdheid (artikel 28, tweede lid, onderdeel b). In de volgende situaties keur ik goed dat deze eis buiten aanmerking blijft.
De eis van een gelijke winstverdeling per aandeel mag buiten aanmerking blijven als alle aandelen in één hand zijn, of als alle aandeelhouders in dezelfde mate zijn gerechtigd tot de verschillende soorten aandelen.
De eis van een gelijke winstverdeling per aandeel mag ook buiten aanmerking blijven als de ongelijke winstverdeling samenhangt met het bestaan van prioriteitsaandelen, mits:
het nominaal gestorte kapitaal op het totaal van de prioriteitsaandelen niet meer bedraagt dan € 500; en
de vergoeding op de prioriteitsaandelen niet meer beloopt dan 7 percent.
Ook bij NV’s met een zogenoemde paraplustructuur mag de eis van een gelijke winstverdeling buiten aanmerking blijven, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
elk (sub-)fonds van de NV dient te voldoen aan alle voorwaarden van artikel 28;
geen (sub-)fonds van de NV belegt in enig ander (sub-)fonds van de NV; en
overigens voldoet de NV aan alle voorwaarden van artikel 28. Zie voor een nadere toelichting op deze goedkeuring het slot van deze paragraaf.
De eis van gelijke winstverdeling vindt verder geen toepassing voor zover een ongelijke verdeling van winst het gevolg is van een door de beleggingsinstelling gemaakt onderscheid tussen aandelenklassen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
door de beleggingsinstelling wordt bijgehouden in welke mate de verschillende aandelenklassen hebben bijgedragen aan de herbeleggingsreserve en de afrondingsreserve die (eventueel) is gevormd krachtens het BBI;
de toepassing van artikel 3b en artikel 4d Wet DB vindt plaats met inachtneming van de in de vorige volzin bedoelde (eventuele) verschillen in bijdrage aan de herbeleggingsreserve;
de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden met betrekking tot de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid zoals deze zijn gesteld in onderdeel c, respectievelijk onderdeel d, van artikel 28, tweede lid, vindt niet plaats per klasse van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid, maar vindt plaats ten aanzien van alle klassen van aandelen respectievelijk bewijzen van deelgerechtigdheid gezamenlijk; en
het gebruik van verschillende aandelenklassen is niet in belangrijke mate gericht op ontgaan van dividendbelasting.
Voor de duidelijkheid merk ik op dat de goedkeuring onder d. ook toestaat dat genoemde verschillende aandelenklassen bestaan binnen de subfondsen van de zogenoemde paraplufondsen.
Ter toelichting op de goedkeuring voor paraplufondsen (hierboven onder c) merk ik het volgende op.
Een paraplustructuur houdt in dat het aandelenkapitaal is onderverdeeld in verschillende series aandelen. Elke serie aandelen representeert een afzonderlijk geadministreerde effectenportefeuille op basis van een eigen beleggingsbeleid. Aldus kan binnen de ene NV een veelheid aan (sub-)fondsen worden onderscheiden. Deze veelheid van subfondsen is onverenigbaar met de eis van gelijke winstverdeling van artikel 28. Door bovenstaande goedkeuring is artikel 28 toch – zij het onder voorwaarden – toegankelijk voor paraplufondsen.
Gesteld zou kunnen worden dat door de gekozen structuur de verschillende (sub-) fondsen van de NV in zekere zin borg staan voor elkaar. Of borgstelling kan worden aangemerkt als beleggen hangt af van de omstandigheden. In het geval van een paraplufonds kan daaraan echter worden voorbijgegaan. Als enig (sub-)fonds wordt aangesproken voor de schulden van een ander (sub-)fonds zal dit laatste fonds immers de financieringsvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel a, hebben overschreden. Gevolg daarvan is statusverlies voor de NV als geheel en tevens voor alle (sub-)fondsen. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, in dergelijke omstandigheden zie ik in beginsel geen aanleiding.
Het beleid met betrekking tot de aandeelhouders- en bestuurdersvereisten, zoals neergelegd in dit besluit, vindt overeenkomstige toepassing op nieuwe (sub-)fondsen van de NV; daarbij wordt een reeds bestaand fonds, dat wordt omgezet in een (sub-)fonds van de NV niet als nieuw beschouwd. Voor alle duidelijkheid zij er bovendien op gewezen dat de tijdelijke ontheffing van deze vereisten die wordt verleend aan een nieuw (sub-)fonds, onverlet laat dat de NV als geheel wel aan deze eisen dient te voldoen (behoudens voor zover dit beleid op de NV als geheel van toepassing is).
Het onderscheiden van de verschillende (sub-)fondsen binnen de NV met het oog op de winstverdeling doet niet af aan het feit dat er sprake is van één belastingplichtige voor de heffing van vennootschapsbelasting, op welke belastingplichtige het BBI van toepassing is. Aldus is er formeel één aangifte, één (keuze voor een) herbeleggingsreserve, één uitdelingsverplichting, enzovoort. Daarnaast zal voor ieder (sub-)fonds een berekening dienen te worden gemaakt op basis van een overeenkomstige toepassing van het BBI uit hoofde van voorwaarde 1. Onder omstandigheden kan het zich daarbij voordoen dat de som van de voor de (sub-)fondsen berekende uitdelingsverplichtingen de uitdelingsverplichting van de NV te boven gaat. Vanuit de NV als geheel bezien wordt dan op grond van voorwaarde 1 meer uitgedeeld dan krachtens artikel 2 BBI nodig is. Als dit leidt tot problemen met het vormen van een herbeleggingsreserve kunnen deze worden voorgelegd aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op fondsen voor gemene rekening. Opgemerkt wordt dat de goedkeuringen onder b, c en d zich naast elkaar kunnen voordoen. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat bij een paraplufonds de goedkeuring onder b niet wordt toegepast per subfonds maar op het fonds als geheel.
In de praktijk worden subfondsen (en aandelenklassen) regelmatig samengevoegd of gesplitst. Op verzoek wordt door mij goedgekeurd dat bij dergelijke samenvoegingen of splitsingen bestaande fiscale claims van de FBI en haar deelgerechtigden worden doorgeschoven, mits sprake is van een zakelijke reorganisatie en de doorschuif van de claims niet leidt tot (mogelijk) claimverlies. Met samenvoeging van subfondsen is intussen voldoende ervaring opgedaan dat deze verzoeken door de inspecteur kunnen worden afgedaan. Ik heb daarom het volgende besloten.
Ik verleen de inspecteur toestemming namens mij op verzoek bij samenvoeging van subfondsen de hierna omschreven goedkeuring toe te passen.
Onder samenvoeging als bedoeld in de vorige volzin wordt verstaan het samenstel van handelingen waardoor:
een bestaand subfonds verdwijnt (verdwijnende subfonds);
het vermogen toegerekend aan het verdwijnende subfonds zonder uitkering aan de aandeelhouders gaat behoren tot het vermogen dat wordt toegerekend aan een ander subfonds (verkrijgend subfonds); en
de aandeelhouders van het verdwijnende subfonds in het kader van de samenvoeging zonder storting aandeelhouder worden in het verkrijgende subfonds, naar rato van de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen direct voorafgaand aan de samenvoeging.
Verzoeken om andere reorganisatie van subfondsen dan de hiervoor beschreven samenvoeging worden ingediend bij de inspecteur en door hem met zijn bericht en raad doorgestuurd naar Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE, Den Haag.
De goedkeuring luidt als volgt.
Vennootschapsbelasting
Voor de toepassing van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 blijft de door u beschreven samenvoeging buiten aanmerking, onder de voorwaarde dat een bij de samenvoeging verkrijgend subfonds wordt geacht volledig in de plaats te zijn getreden van het desbetreffende verdwijnende subfonds.
Bij de verrekening van een uitdelingstekort krachtens artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen, geldt deze plaatsvervanging onder de hierna omschreven beperking.
Een bij een subfonds berekend uitdelingstekort van een jaar voorafgaand aan de samenvoeging wordt slechts verrekend met de voor uitdeling beschikbare winst van een volgend jaar, voor zover de voor uitdeling beschikbare winst toerekenbaar is aan het desbetreffende subfonds.
De toerekening als bedoeld in de vorige volzin, vindt plaats door de voor uitdeling beschikbare winst van het desbetreffende subfonds te berekenen die zou zijn genoten als de samenvoeging niet zou hebben plaatsgevonden en het subfonds zelfstandig belastingplichtig zou zijn voor de vennootschapsbelasting.
De verdeling van na de samenvoeging opgekomen bedragen vindt plaats door het voor verkrijgende subfonds als geheel geldende bedrag te verdelen over de samengevoegde subfondsen overeenkomstig de bij de samenvoeging in aanmerking genomen ruilverhouding.
De hiervoor onder b opgenomen beperking vindt overeenkomstige toepassing bij de toevoeging aan de herbeleggingsreserve van overschotten uit voorafgaande jaren krachtens de goedkeuring van onderdeel 5.2.3. van dit besluit.
Dividendbelasting
Ik keur voor zover nodig goed dat bij de samenvoeging de heffing van dividendbelasting achterwege blijft.
Als gestort kapitaal op de bij de samenvoeging uitgereikte participaties geldt ten aanzien van alle participanten slechts hetgeen op de in het kader van de samenvoeging verdwenen participaties is gestort.
Voor de toepassing van artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB) keur ik goed dat de aanspraak op vermindering van het verdwijnende fonds, zoals deze direct voorafgaand aan de samenvoeging bestaat, na de samenvoeging in aanmerking wordt genomen bij het verkrijgende fonds. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
Voorwaarden
De aandeelhouders van het verdwijnende fonds worden aandeelhouders van het verkrijgende fonds naar rato van hun belang bij de beleggingen van het desbetreffende verdwijnende fonds ten opzichte van die van het verkrijgende fonds op het moment van samenvoegen.
De belangen van de aandeelhouders ondergaan geen materiele wijziging gedurende de eerste maand na de samenvoeging, tenzij het verkrijgende fonds aannemelijk maakt dat aan deze belangenwijziging zakelijke redenen ten grondslag liggen.
De aanspraak op afdrachtvermindering van het verdwijnende fonds leidt slechts tot vermindering van af te dragen dividendbelasting bij het verkrijgende fonds voor zover deze aanspraak toerekenbaar is aan de beleggingen verkregen van het desbetreffende verdwijnende fonds.
Voor de toerekening van de aanspraak op afdrachtvermindering wordt de af te dragen dividendbelasting van het verkrijgende fonds verdeeld tussen de beleggingen van het verkrijgende en het desbetreffende verdwijnende fonds naar rato van het dividendverleden van deze fondsen. Het dividendverleden is het dividend uitgekeerd in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de samenvoeging.
Hierna volgt een voorbeeld van de wijze waarop de goedkeuring van onderdeel 6.2.1. toepassing vindt met betrekking tot artikel 11a van de Wet DB.
Het verdwijnende fonds heeft direct voorafgaand aan de samenvoeging een aanspraak op vermindering volgens artikel 11a Wet DB van 100.
Na samenvoeging bedraagt de af te dragen dividendbelasting door het verkrijgende fonds 200.
In de vijf kalenderjaren vóór samenvoeging keerden de verdwijnende en verkrijgende fondsen jaarlijks respectievelijk 1.000 en 1.500 dividend uit.
De dividendbelasting van het verkrijgende fonds dat toerekenbaar is aan de beleggingen verkregen van het verdwijnende fonds bedraagt: 200*(5*1.000)/(5*1.000+5*1.500) = 80.
Artikel 6
Uitdelingsverplichting (artikel 28, tweede lid, onderdeel b)
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; fiscale beleggingsinstelling; toepassing artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 2024