Er kunnen omstandigheden aan de orde zijn waardoor een afdoening buiten de zittingszaal een meer passende reactie is dan het langer durende, volledige strafrechtelijke onderzoek, inclusief het traject naar de rechtbank. Hierbij kan worden gedacht aan de noodzaak tot een snellere interventie met bijvoorbeeld een intensieve, gedragsbeïnvloedende behandeling.
De leidende vragen daarbij zijn of het gewenst en noodzakelijk is dat een volledig onderzoek (naar de feiten en omstandigheden van het delict en de persoon van de verdachte) wordt uitgevoerd en of de verdachte zich tegenover een strafrechter dient te verantwoorden.
De beslissing om voor deze afdoeningswijze te kiezen is altijd een beslissing van de officier van justitie en deze is altijd gebaseerd op de criteria die in samenhang met elkaar per individuele zaak worden afgewogen. De beslissing van de officier van justitie kan al naar gelang de geconstateerde omstandigheden van de zaak, gedurende het onderzoek ook gewijzigd worden.
In beginsel kan tot het afdoen van een zaak met een OM-strafbeschikking worden besloten in zaken waarin sprake is:
van een verdachte die first offender is en
van de afwezigheid van een beroep of hobby waarbij de verdachte mogelijk risicovol contact met kinderen kan hebben en
van een gepleegd delict dat bestaat uit het beperkt bezitten, verspreiden2Denk hierbij aan het versturen van een enkele foto/video via mail of social media., (waaronder ook begrepen zich toegang verschaffen tot, aanbieden en verwerven) van een geringe hoeveelheid kinderpornografie, waarbij geen sprake is van gewoonte;
of in zaken waarin sprake is van onderzoeksgegevens en initiële verdenking van een dusdanige ouderdom dat de te verwachten straf of maatregel die zou volgen op een gerechtelijke afdoening ook verkregen kan worden met een OM-strafbeschikking én ook vanwege de ernst van het feit geen berechting gerechtvaardigd is.
De strafbeschikking kan de aanwijzingen bevatten die op grond van art. 257a lid 3 Sv aan de verdachte kunnen worden gegeven3Ter volledigheid wordt opgemerkt dat gelet op het geldende taakstrafverbod en de redenering daarachter kan worden opgemaakt dat een geldboete niet gepast is.:
art. 257a lid 3 sub a: afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
art. 257a lid 3 sub d: storting van een vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het feit kan worden opgelegd;
Het verdient voorkeur om door de reclassering te laten onderzoeken of de financiële situatie van de verdachte dit toelaat.
art. 257a lid 3 sub e: andere aanwijzingen, het gedrag van de verdachte betreffend, waaraan deze gedurende een bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van ten hoogste een jaar heeft te voldoen.
Hierbij valt met name te denken aan:
ambulante behandeling, met maximaal 20 behandelbijeenkomsten, die zien op gesprekken en training die zich richten op concrete gedragsverandering bij de verdachte ter vermindering van recidivegevaar;
specifieke aanwijzingen met betrekking tot (internet)gedrag van de verdachte.
Deze gedragsaanwijzingen worden uitsluitend op advies van de reclassering opgelegd.4Zoals volgt uit de Aanwijzing OM-strafbeschikking (2020A0014). Ook de andere daarin vervatte eisen zijn vanzelfsprekend van overeenkomstige toepassing bij het afdoen met een OM-strafbeschikking.
Artikel II
OM-strafbeschikking
Onderdeel van Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2024