Aangezien kinderpornografiezaken een grote variatie in delicts- en zaaksspecifieke factoren kennen, is het moeilijk om standaardeisen te formuleren. Deze richtlijn geeft daarom naast de basiseis (paragraaf IV) een aantal strafbepalende factoren (paragraaf V), die in onderling verband en samenhang met de omstandigheden van de zaak bezien de hoogte van de strafeis bepalen. Hierbij kan een bepaalde factor in de ene zaak (in de combinatie met andere factoren) strafverminderend werken, maar in de andere zaak juist strafverzwarend zijn.
Uitgangspunt van de strafeisen in kinderpornografiezaken is de (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf. Op art. 240b (oud) Sr en art. 252 (nieuw) Sr is het taakstrafverbod van toepassing (art. 22b lid 1 onder b Sr). Hier kan van worden afgeweken (art. 22b lid 3 Sr), maar een taakstraf kan enkel worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en komt alleen in aanmerking bij een verdachte die first offender is en slechts een beperkt aantal bestanden in zijn bezit heeft of heeft verworven of zich daartoe toegang heeft verschaft.
Per 1 juli 2024 is ook artikel 14b Sr aangepast, waardoor voor alle strafbare handelingen van art. 252 (nieuw) Sr die zijn gepleegd vanaf 1 juli 2024 een proeftijd van maximaal tien jaar kan worden opgelegd.
Voor feiten gepleegd vóór 1 juli 2024 is de proeftijd maximaal drie jaar, met uitzondering van het vervaardigen van materiaal, waarvoor meestal een maximale proeftijd van tien jaar gold.5Artikel 14b Sr, in combinatie met Hoge Raad 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:524, Hoge Raad 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116 en Hoge Raad 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:894. Een lange proeftijd van maximaal tien jaar is wel mogelijk bij een veroordeling voor dierenpornofeiten (art. 254a Sr) gepleegd vóór 1 januari 2024, mocht dergelijk materiaal ook bij de verdachte zijn aangetroffen.
Bij alle handelingen genoemd in 240b (oud) en 252 (nieuw) Sr is het daarnaast mogelijk om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr op te leggen. Ook kunnen in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voorwaarden aan de veroordeelde worden gesteld.
In veel gevallen kan het wenselijker zijn dat een verdachte voor langere tijd onder toezicht wordt gesteld (middels gestelde bijzondere voorwaarden) dan dat hij een korte vrijheidsstraf uitzit, waarna hij zonder of met slechts korte begeleiding weer terugkeert in de samenleving.
De basisstrafmaten zijn uitsluitend van toepassing in zaken met meerderjarige verdachten. Het bepalen van een afdoeningsmodaliteit en strafmaat in zaken met minderjarige verdachten vergt, vanwege de specifieke jeugdrecht-aspecten, dusdanig maatwerk, dat deze niet in een algemene richtlijn als deze zijn te vatten. Voor dergelijke zaken wordt dan ook verwezen naar de beleidsdocumentatie die voor jeugdzaken is opgesteld.6Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HALT; “Pubers in beeld”, OM-beleid bij door jongeren geproduceerde seksuele afbeeldingen van minderjarigen (“sexting”).
Artikel III
Uitgangspunten bij het bepalen van de strafmaat
Onderdeel van Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2024