Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Opsporingsonderzoek

Onderdeel van Aanwijzing seksuele misdrijven· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2024

In dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten weergegeven waar een onderzoek naar een seksueel misdrijf in beginsel aan moet voldoen. Een seksueel misdrijf kan ambtshalve worden opgepakt. Het doen van aangifte is daarvoor niet noodzakelijk. In elk geval wordt ambtshalve onderzoek overwogen in zaken waarin de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van betrokkene ernstig is of nog steeds wordt bedreigd dan wel betrokkene zich evident in een afhankelijkheidspositie bevindt. Aangifte doen is geen vrijblijvende zaak. Een eenmaal gedane aangifte kan niet worden ingetrokken en is de start van een strafrechtelijk onderzoek. Een slachtoffer kan desgewenst wel na het doen van aangifte laten weten wat de (eventueel veranderde) wensen zijn rondom strafvervolging. Een slachtoffer kan door politie gewezen worden op de vindplaats van informatie, zoals de website of brochures van de politie over de gang van zaken rondom de opsporing en vervolging van seksuele misdrijven. Daarnaast kan aan een slachtoffer een persoonlijk informatief gesprek worden aangeboden door politie, in het geval het slachtoffer daaraan behoefte heeft of als een opsporingsambtenaar meer informatie nodig heeft om te kunnen inschatten of sprake is van een (verdenking van een) strafbaar feit of om een professionele triage te kunnen uitvoeren. Eenzelfde gesprek kan worden aangeboden aan een melder die zelf geen slachtoffer is, zoals de ouder van een kind dat mogelijk slachtoffer is van een seksueel misdrijf. De keuze om aangifte te doen is aan het slachtoffer. Indien gewenst kan gebruik worden gemaakt van bedenktijd. Als het slachtoffer geen aangifte doet wegen de politie en het openbaar ministerie af of ambtshalve onderzoek mogelijk en wenselijk is. Als de melder ook het slachtoffer is, wordt in beginsel met de melder gesproken zonder bijzijn van anderen dan eventueel de raadsman. Forensisch medisch onderzoek kan een belangrijk onderdeel zijn van het onderzoek in zaken betreffende seksuele misdrijven. De eerste zeven dagen na een strafbaar feit, kunnen nog DNA-sporen worden gevonden. Ook daarna kunnen nog sporen worden veiliggesteld, bijvoorbeeld in de vorm van vastgestelde SOA’s. Het openbaar ministerie vindt het van belang dat slachtoffers voor zover mogelijk maar eenmaal onderzocht hoeven te worden na een seksueel misdrijf. Een slachtoffer mag weigeren om mee te werken aan forensisch medisch onderzoek. Het is van belang dat een slachtoffer zich daarbij bewust is van de grote gevolgen die dat kan hebben in zijn of haar zaak. Als het slachtoffer minderjarig is en de wettelijk vertegenwoordigers niet instemmen met forensisch medisch onderzoek, dan weegt de officier van justitie af of en zo ja op welke wijze alsnog forensisch medisch onderzoek gedaan wordt en zo ja, op welke manier en in samenwerking met welke andere partners dat eventueel kan worden bewerkstelligd. Het slachtoffer kan vragen om forensisch-medisch onderzoek bij de verdachte, bijvoorbeeld naar mogelijk overdraagbare ziektes bij de verdachte.3Dit geldt voor een beperkt aantal ernstige besmettelijke ziektes, zie artikel 2 van het Besluit onderzoek in strafzaken naar een ernstige besmettelijke ziekte. De officier van justitie kan het slachtoffer hierover informeren. In toenemende mate bevindt zich bewijs van seksuele misdrijven op gegevensdragers. Het is van belang dat deze waar relevant in beslag genomen worden. Bij onjuiste mededelingen van seksuele misdrijven, kan sprake zijn van een strafbaar feit aan de zijde van de melder of de aangever, namelijk wanneer dat bewust is gedaan. Zodra er aanwijzingen zijn dat bewust onjuiste mededelingen van een seksueel misdrijf zijn gedaan, beslist de officier van justitie welke gevolgen dat heeft voor het verdere opsporingsonderzoek. In beginsel leidt een verdenking van een bewust onjuiste mededeling ertoe dat het opsporingsonderzoek zich (mede) zal richten op een verdenking van overtreding van art. 188 Sr of art. 268 Sr. Opsporingsonderzoeken die gestart zijn als onderzoek naar een seksueel misdrijf, worden tot en met de beslissing over vervolging aangemerkt als onderzoeken naar een seksueel misdrijf. Dat geldt ook als deze onderzoeken in de loop der tijd zijn verworden tot een zaak rond bewust onjuiste mededeling van een seksueel misdrijf. Bij de beslissing over vervolging houdt de officier van justitie rekening met de duur en de kosten van het opsporingsonderzoek, de duur en hardnekkigheid van het volharden in de onjuistheid, het wel of niet zijn ingezet van dwangmiddelen en met de overige gevolgen die de onjuiste mededeling hebben gehad voor de oorspronkelijke verdachte of andere betrokkenen. Daarnaast wordt rekening gehouden met de persoon van de melder/verdachte en de omstandigheden waaronder de bewust onjuiste mededeling is gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel