Berging in het kader van het Nationaal programma:
Indien een berging wordt uitgevoerd in het kader van het Nationaal programma, ligt het initiatief voor de berging richting de gemeente bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), dat hierbij samenwerkt met het Ministerie van Defensie.
Tijdens het voortraject stelt BZK de gemeente ervan op de hoogte dat voorafgaand aan de berging een archeologische waardering moet plaatsvinden.
Indien de gemeente dergelijk onderzoek niet heeft uitgevoerd of niet zelf wil laten uitvoeren, stelt BZK de gemeente ervan op de hoogte dat de RCE en Defensie een advies met een archeologische waardering zullen opstellen en voorleggen.
De gemeente dient daartoe rechtstreeks een verzoek in bij de RCE, via de Coördinator vliegtuigbergingen en archeologie.
Berging buiten het kader van het Nationaal programma:
Indien een berging wordt uitgevoerd buiten het kader van het Nationaal programma, ligt het initiatief bij de gemeente en verloopt het contact via Defensie.
Tijdens het voortraject stelt de SOVB de gemeente ervan op de hoogte dat voorafgaand aan de berging een archeologische waardering moet plaatsvinden.
Indien de gemeente dergelijk onderzoek niet heeft uitgevoerd of niet zelf wil laten uitvoeren, stelt de SOVB de gemeente ervan op de hoogte dat de RCE en Defensie een advies met een archeologische waardering zullen opstellen en voorleggen.
De SOVB neemt hierover contact op met de RCE, via de Coördinator vliegtuigbergingen en archeologie.
In beide situaties is het aan het bevoegd gezag om – op basis van een advies met een archeologische waardering – een besluit te nemen over het al dan niet laten uitvoeren van archeologisch veldonderzoek bij de vliegtuigberging. Het bevoegd gezag kan daarbij afwijken van het advies. Indien wordt besloten tot het laten uitvoeren van nader archeologisch onderzoek, wordt het bevoegd gezag hiervan de formele opdrachtgever.
De SOVB meldt de aanvang van de bergingsactiviteiten aan de RCE. Dit geldt ook als er geen archeologisch veldonderzoek plaatsvindt (overeenkomstig de meldingsplicht in artikel 5.6, eerste lid, van de Erfgoedwet, op grond van artikel 2.7, tweede lid, Besluit Erfgoedwet archeologie).
Uiterlijk binnen twee jaar na afronding van de berging stuurt de SOVB het bergingsrapport naar de RCE, het land van herkomst, het College van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente (overeenkomstig artikel 5.6, vierde lid, van de Erfgoedwet, op grond van artikel 2.7, tweede lid, Besluit Erfgoedwet archeologie). De SOVB stuurt het bergingsrapport eveneens naar het Ministerie van BZK.
Eventuele menselijke stoffelijke resten, persoonlijke bezittingen en militaire uitrustingsstukken worden altijd behandeld in overeenstemming met het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, de aanvullende protocollen uit 1977, en specifieke werkafspraken tussen de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL) van het Ministerie van Defensie en buitenlandse partnerorganisaties.
Voor menselijke stoffelijke resten, persoonlijke bezittingen en militaire uitrustingsstukken geldt dat deze worden geborgen door de BIDKL, dan wel onverwijld aan hen worden overgedragen. De BIDKL beslist, na identificatie en in samenwerking met het land van herkomst, wat de eindbestemming van de vondsten is en zet de uitvoering van dat besluit in gang.
Voor vliegtuigwrakken van andere landen is deponering in een archeologisch depot als bedoeld in artikel 5.9 van de Erfgoedwet geen wettelijke verplichting. Een aantal landen van herkomst heeft aangegeven teruggave van vondstmateriaal niet nodig te vinden. In alle gevallen borgt het Ministerie van Defensie een zorgvuldige omgang met het materiaal. Voorkomen dient te worden dat dit beschikbaar komt voor verkoop aan of door derden.
Defensie brengt het aangetroffen vondstmateriaal dat verband houdt met het vliegtuigwrak, over naar de vliegbasis Woensdrecht, waar dit wordt schoongemaakt en gecontroleerd op de aanwezigheid van menselijke stoffelijke resten, explosieven en gevaarlijke stoffen. Deze worden op de daarvoor geëigende wijze behandeld.
Bij de sortering van het vondstmateriaal dat verband houdt met het vliegtuigwrak, houdt de SOVB wrakdelen met een historische, archeologische en eventuele museale waarde apart. Hij stelt een overzicht op van dit materiaal. Op verzoek van de gemeente kan hier een archeologisch expert bij worden betrokken. In het geval dat de berging archeologisch begeleid is, raadpleegt de SOVB de betrokken archeoloog over de vondsten die behouden dienen te worden in verband met de onderzoeksvragen uit het archeologisch Programma van Eisen.
In overleg met de desbetreffende gemeente, stelt de SOVB een lijst op van partijen die mogelijk geïnteresseerd zijn in het vondstmateriaal, waaronder Defensie of de gemeente zelf, maar ook lokale musea, heemkundekringen en het desbetreffende (provinciale of gemeentelijke) archeologische depot.
De SOVB en de desbetreffende gemeente bepalen in onderling overleg welke partij de beschikking krijgt over welk vondstmateriaal. Het gaat daarbij uitsluitend om vondstmateriaal dat verband houdt met het vliegtuigwrak, niet om andere archeologische vondsten. Nadat zorgvuldige afstemming heeft plaatsgevonden tussen de SOVB en de gemeente, draagt de SOVB zorg voor de uiteindelijke terbeschikkingstelling. Het materiaal mag door de ontvangende partij niet worden overgedragen aan derden of worden verkocht. Afspraken die daarover worden gemaakt met de ontvangende partij, worden schriftelijk vastgelegd.
Het resterende materiaal dat verband houdt met het vliegtuigwrak kan als strategisch schroot worden afgevoerd voor vernietiging.
Archeologische vondsten die gedurende de berging worden gedaan, maar geen verband houden met het vliegtuigwrak, worden eigendom van de provincie of de gemeente waarin de berging plaatsvindt. Voor dit materiaal geldt de wettelijke deponeringsplicht uit artikel 5.9, eerste lid, van de Erfgoedwet.
De SOVB en de RCE voeren ten minste twee keer per jaar overleg over de onderlinge samenwerking. De SOVB deelt in dit overleg de (jaar)planning voor komende vliegtuigbergingen en eventuele wijzigingen in deze planning met de RCE.
Nadat dit protocol op drie vliegtuigbergingen is toegepast, maar in ieder geval uiterlijk twee jaar nadat het in werking is getreden, wordt het protocol geëvalueerd door de Minister van Defensie, de Minister van OCW en de Minister van BZK. Bij de evaluatie wordt ook het gemeentelijk perspectief betrokken. Naar aanleiding van de evaluatie, of zoveel eerder als dat voor de uitvoeringspraktijk wenselijk is, kunnen de afspraken in dit protocol met instemming van de drie Ministers worden aangepast.
De RCE brengt geen kosten in rekening voor de uitvoering van het bureauonderzoek – inclusief de eventuele inschakeling van een derde partij daarvoor – en voor de afstemming met Defensie rondom het advies met archeologische waardering.
Indien de gemeente zelf een onderzoek naar de archeologische waarde heeft uitgevoerd of voornemens is dit uit te laten voeren, draagt zij hiervoor zelf de kosten.
Het Ministerie van Defensie brengt geen kosten in rekening voor de uitvoering van de historische onderzoeken door SOVB en NIMH en voor de afstemming met de RCE rondom het advies met archeologische waardering.