Per 1 maart 2005 is in het toenmalige artikel 3.116 Wet IB 2001 het begrip ‘schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning’ vervangen door het begrip ‘eigenwoningschuld’. Ook is het begrip ’gemeenschappelijke huishouding’ vervangen door ’gezamenlijke huishouding’. Om de praktijk enkele maanden tijd te gunnen om deze aanpassing te verwerken, heb ik in het verleden een goedkeuring verleend. Omdat deze goedkeuring nog doorwerkt naar het huidige overgangsrecht neem ik die hieronder voor de volledigheid op. Voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten vóór 1 oktober 2005 en waarvan de polissen niet zijn aangepast aan deze wettelijke begripswijzigingen, keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat een kapitaalverzekering die is afgesloten vóór 1 oktober 2005 en die sinds het afsluiten voldeed aan de formele vereisten van het toenmalige artikel 3.116 Wet IB 2001 (tekst tot en met 28 februari 2005) geacht wordt te voldoen aan de voorwaarden van artikel 10bis.4 Wet IB 2001.
Voor de volledigheid merk ik op dat deze goedkeuring enkel ziet op het niet hoeven aanpassen van de begrippen in de polis. Inhoudelijk is artikel 10bis.6 Wet IB 2001 ook volledig van toepassing op de kapitaalsuitkeringen die worden ontvangen ná 28 februari 2005.
Eén van de voorwaarden die wordt gesteld aan een KEW is dat de verzekering recht geeft op een eenmalige uitkering bij leven of overlijden (artikel 10bis.4, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001). Dit houdt in dat de verzekering in zijn geheel tot uitkering moet komen. Bij een gedeeltelijke uitkering wordt de verzekering geacht in zijn geheel tot uitkering te zijn gekomen.
Het regime van de KEW tot 1 april 2017 kende een lage vrijstelling na 15 jaar jaarlijkse premiebetaling en een hoge vrijstelling na 20 jaar jaarlijkse premiebetaling. Onder dat regime was het mogelijk om een KEW na 15 jaren gedeeltelijk af te kopen met gebruikmaking van de lage vrijstelling en voor het overige verzekeringskapitaal het restant aan hoge vrijstelling na 20 jaren jaarlijkse premiebetaling te benutten.
Er zijn verzekeringen waarbij het moment waarop de volgtijdelijke uitkeringen zullen plaatsvinden al vóór 1 april 2017 in de polis vastligt, maar waarvan beide uitkeringen na 1 april 2017 zullen plaatsvinden. Ik vind het ongewenst als het contract tussen verzekeringnemer en verzekeraar door de wetswijziging moet worden opengebroken en daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat beide uitkeringen na 1 april 2017 met gebruikmaking van de vrijstelling kunnen plaatsvinden.
Op 1 april 2017 was in de polis vastgelegd dat én op welk moment de volgtijdelijke uitkeringen plaatsvinden. Daarnaast moet aan de overige eisen voor het verkrijgen van de uitkeringsvrijstelling worden voldaan.
Als de rekeninghouder van een SEW of BEW overlijdt, wordt zijn rekening op grond van de Wet IB 2001 in beginsel gedeblokkeerd. Als de partner de rekening continueert, blijft de rekening geblokkeerd (artikel 10bis.5, vierde lid, onderdeel f, juncto onderdeel b, Wet IB 2001). De rekening wordt gecontinueerd als de instelling waar de rekening wordt aangehouden, de rekening op naam heeft gezet van de partner. Een redelijke wetstoepassing vereist dat de partner een redelijke termijn krijgt om bij de instelling kenbaar te maken dat hij de rekening wenst te continueren.
Deze termijn bedraagt in ieder geval 12 maanden vanaf het tijdstip van overlijden. Als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor het niet mogelijk was het verzoek binnen die termijn te doen, is een langere termijn mogelijk. Daarvoor moet de partner de bijzondere omstandigheid aannemelijk maken bij de inspecteur die bevoegd is voor de overleden rekeninghouder.
Het is mogelijk om een bestaande KEW of een SEW over te sluiten in een BEW of een bestaande BEW over te sluiten in een BEW bij een andere aanbieder. De voorwaarden waaraan een BEW en de aanbieders daarvan moeten voldoen, zijn opgenomen in artikel 10bis.5, derde lid, Wet IB 2001. Over de uitleg van deze bepaling blijkt in de praktijk onduidelijkheid te bestaan. Dit kan belemmerend werken bij het aanbieden van BEW’s.
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat in aansluiting op artikel 1:1 Wft in de Wet IB 2001 onder beheerder van een beleggingsinstelling wordt verstaan iedere rechtspersoon die ingevolge de Wft bevoegd is rechten van deelneming aan te bieden in een door hem beheerde beleggingsinstelling in Nederland. Dit betekent dat de beheerder zelf geen beleggingsinstelling hoeft te zijn.
Redelijke wetstoepassing houdt ook in dat de belastingplichtige de gelden die hij ter verwerving van de rechten van deelneming inlegt, over kan maken aan de bewaarder – dus niet de beheerder – van een beleggingsinstelling.
Eén van de andere wettelijke voorwaarden is dat de belastingplichtige geblokkeerde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling verkrijgt. Het moet hierbij gaan om rechten van deelneming in de beleggingsinstelling die door de beheerder zelf wordt beheerd. Met andere woorden, de rechten van deelneming kunnen geen betrekking hebben op beleggingsinstellingen die door een andere instelling worden beheerd. Het is overigens mogelijk dat de wel zelf beheerde beleggingsinstelling subfondsen heeft die ieder beleggen in specifieke waarden, waaronder rechten in andere beleggingsinstellingen.
Herstel van een polis is mogelijk als op grond van een aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies en dergelijke aannemelijk is dat de polis niet de juiste weergave is van wat partijen beoogden overeen te komen. De tussenpersoon of de aanbieder heeft dan een administratieve fout gemaakt. Na het herstel wordt de polis geacht met inachtneming van de correctie te zijn opgemaakt vanaf het oorspronkelijke tijdstip van sluiten van de overeenkomst. Met andere woorden, het herstel heeft fiscaal terugwerkende kracht.
Herstel kan ook plaatsvinden als aannemelijk is dat bij de omzetting van een verzekering in een andere zodanige verzekering een administratieve fout is gemaakt.
Van een administratieve fout als zodanig is geen sprake als een polis is opgemaakt conform de afspraak tussen contractspartijen maar nadien blijkt te berusten op een foutief fiscaal inzicht bij de verzekeringnemer, de tussenpersoon of de aanbieder.
Artikel 2
Voorwaarden KEW
Onderdeel van Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen, SEW en BEW· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 19 juli 2024