Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden voor premiebetalingen

Onderdeel van Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen, SEW en BEW· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 19 juli 2024

Zowel voor de vormvereisten van een KEW als voor de vrijstelling van een uitkering uit een KEW geldt dat de betaalde bedragen moeten blijven binnen een bepaalde bandbreedte. Deze bandbreedte-eis houdt in dat op jaarbasis het hoogste bedrag niet meer mag zijn dan het tienvoud van het laagste. Uitgangspunt bij de beoordeling van de bandbreedte-eis op jaarbasis is het verzekeringsjaar. Bij een KEW kan het percentage aan rendement gekoppeld zijn aan de rente van de eigenwoningschuld waaraan die KEW is gekoppeld (bijvoorbeeld bij een traditionele spaarhypotheek). Er zijn gebeurtenissen waarbij de rente en daardoor het rendement wordt aangepast. Om aan het eind van de looptijd van de KEW tot hetzelfde kapitaal te komen, moet de premie worden bijgesteld. Bij een hoge of lage rentestand op het moment van wijzigen, is het mogelijk dat de wisseling in rendement zo groot is, dat de premie de bandbreedte van 1/10 overschrijdt zonder dat dit rendement door de verzekeringnemer te beïnvloeden is. De KEW zou dan fictief tot uitkering komen en de uitkering uit een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering zou niet meer vrijgesteld kunnen zijn in box 1. Dit vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de KEW nog wordt geacht te voldoen aan de wettelijke bandbreedte-eis ondanks dat na een wijziging van de premie de hoogste premie meer dan het tienvoud van de laagste premie bedraagt. Het staat de verzekeringnemer hierbij vrij om te kiezen voor de voor hem optimale nieuwe rentevastperiode. Ik stel hierbij de volgende vier voorwaarden: De wijziging van de premie heeft geen andere oorzaak dan dat de rente op de eigenwoningschuld is veranderd door (i) het aflopen van een rentevastperiode, (ii) het tussentijds openbreken van het contract om de rente aan te passen of (iii) het wijzigen van de rente als gevolg van een verhuizing; De bandbreedte vóór toepassing van de goedkeuring blijft bepalend, de gewijzigde premie wordt dus niet de maatstaf voor een nieuwe bandbreedte; Het gegarandeerde kapitaal wordt niet verhoogd en de looptijd van de KEW wordt niet verlengd; en De KEW voldoet aan de overige voorwaarden die de Wet IB 2001 aan de vrijstelling stelt. Voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering geldt dat deze voldoet aan de overige voorwaarden die de Invoeringswet en de Wet IB 1964 aan de vrijstelling stellen. Voor KEW’s (dus ook voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen) waarbij de premie niet volledig is aangepast aan de wijziging van het rentepercentage op de eigenwoningschuld ter voorkoming van een overschrijding van de bandbreedte-eis, vindt mogelijk herstel plaats. Dit herstel bestaat erin dat de premie alsnog wordt aangepast aan het gewijzigde rentepercentage om daarmee het oorspronkelijk gegarandeerde kapitaal of het beoogde doelkapitaal te halen. Ook in die gevallen geldt dat het herstel fiscaal gezien niet leidt tot een overschrijding van de bandbreedte-eis. Bij beëindiging van een (fiscaal) partnerschap kan een KEW, wat betreft overlijden, wijziging ondergaan in de verzekerde persoon. Ook kan een KEW die wat betreft overlijden op twee levens was gesloten, worden gewijzigd in een op één leven gesloten verzekering. De hieruit voortvloeiende verlaging van de overlijdenspremie kan leiden tot overschrijding van de bandbreedte-eis voor de premies. Een dergelijke overschrijding van de bandbreedte zou tot gevolg hebben dat het recht op de vrijstelling KEW vervalt. Ik vind het ongewenst dat in deze situaties het recht op de vrijstelling van de kapitaalsuitkering mogelijk verloren gaat. Ik keur daarom het volgende goed. Ik keur goed dat in dergelijke situaties bijstelling van de totaalpremie van de KEW als gevolg van verlaging van de premies voor het overlijdensdeel op grond van de wijziging van de verzekerde persoon niet geldt als overschrijding van de bandbreedte. Met ingang van 21 december 2012 zijn aanbieders verplicht bij de vaststelling van premies uit te gaan van sekseneutrale tarieven. Ook voor bestaande KEW’s kan als gevolg daarvan de noodzaak ontstaan, bijvoorbeeld bij omzettingen, tot bijstelling van de premies. Als gevolg daarvan kan overschrijding van de bandbreedte plaatsvinden met ongewenste gevolgen. Ik vind het in deze situaties ongewenst dat het recht op de vrijstelling van de kapitaalsuitkering mogelijk verloren gaat. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat in dergelijke situaties bijstelling van de premies door het gaan hanteren van sekseneutrale tarieven niet tot overschrijding van de bandbreedte leidt. Sommige verzekeringsmaatschappijen bieden verzekeringnemers de mogelijkheid om voor alle of een aantal premies voor een kapitaalverzekering een premiedepot te vormen. Alleen als sprake is van een reëel premiedepot wordt de vorming daarvan niet aangemerkt als een premie voor een KEW. De periodieke betalingen ten laste van het depot gelden dan als premies voor een KEW. Een reëel premiedepot behoort tot de grondslag van box 3. Er is sprake van een reëel premiedepot als de verzekeringnemer ten opzichte van de aanbieder de beschikkingsmacht over de in depot gestorte gelden in voldoende mate blijft behouden. Ik acht het ongewenst als in de praktijk discussie ontstaat over de vraag of de verzekeringnemer voldoende beschikkingsmacht over het premiedepot heeft. Daarom neem ik het standpunt in dat premiedepots reële premiedepots zijn als geen voorwaarden worden gesteld of slechts één of meer van de volgende voorwaarden worden gesteld: Voor opzegging van het premiedepot geldt een opzegtermijn van ten hoogste drie maanden; De vergoeding die de verzekeraar bij opzegging vraagt voor administratiekosten mag geen te hoge drempel opwerpen voor opname van het depot. Een vergoeding van bijvoorbeeld 1% van de depotwaarde met een minimum van € 100 vormt geen te hoge drempel; Bij opzegging in verband met wijziging van de rentestand kan een vergoeding in rekening worden gebracht. Deze mag niet hoger zijn dan het rentenadeel dat de financiële instelling lijdt. Als aan een premiedepot meer voorwaarden worden gesteld of voorwaarden die verder gaan dan de genoemde voorwaarden, staat niet op voorhand vast dat sprake is van een reëel premiedepot. Als het premiedepot geen reëel premiedepot is, is sprake van vooruitbetaalde premies of van een koopsomstorting. Dit betekent dat dan mogelijk niet aan de voorwaarden voor de KEW wordt voldaan zoals het jaarlijks betalen van premie of de bandbreedte-eis. Om van de KEW-vrijstelling gebruik te kunnen maken, moet de belastingplichtige jaarlijks premies voldoen (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001). De hoogste premie mag daarbij niet meer bedragen dan het tienvoud van de laagste premie (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001). Om te beoordelen of aan deze eisen wordt voldaan, is het van belang om betaalde premies aan de verzekeringsjaren toe te rekenen. Om onduidelijkheid te voorkomen, ga ik ervan uit dat premies die contractueel zijn verschuldigd, zijn betaald in het jaar waar zij betrekking op hebben. Dit praktische uitgangspunt geldt alleen als de contractuele, reguliere premies door de aanbieder daadwerkelijk worden geïnd op een wijze die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Voor de toerekening van de contractueel verschuldigde premie aan een verzekeringsjaar is het feitelijke tijdstip van betaling van de premie dus niet van belang. Als een contractueel verschuldigde premie echter na de reguliere inningsmaatregelen van de aanbieder nog niet is voldaan, is die premie fiscaal eveneens niet voldaan. Het is ook mogelijk dat naast de contractueel verschuldigde premies, extra premies worden betaald. Deze vrijwillige extra premies hebben betrekking op het verzekeringsjaar waarin ze zijn betaald. Ik wil daarbij enige ruimte bieden aan de verzekeringnemer om te kunnen voldoen aan de fiscale vereisten voor de KEW. Als de verzekeringnemer een vrijwillig voldane premie betaalt binnen één maand vóór het begin van een verzekeringsjaar of binnen twee maanden na het einde van een verzekeringsjaar kan hij naar keuze de premie geheel of gedeeltelijk aan één van de beide verzekeringsjaren toerekenen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat verzekeringnemers, aanbieders of tussenpersonen fouten maken met de KEW waardoor een vrijstelling verloren gaat. In dergelijke gevallen is in het algemeen geen sprake van oneigenlijk gebruik. De gevolgen van een gemaakte fout op het punt van de premiebetaling zijn meestal ingrijpend voor de belanghebbende. Daarom geef ik in onderdeel 3.4.1 een goedkeuring waarmee foutieve premiebetalingen binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar kunnen worden hersteld. Veelal komen fouten echter pas later naar voren. Voor een veelvoorkomende fout geef ik in onderdeel 3.4.2. een aanvullende goedkeuring ten aanzien van de bandbreedte-eis. Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat de verzekeringnemer fouten, die zijn gemaakt bij de betaling van premies in een verzekeringsjaar, kan (laten) herstellen. Het herstel vindt plaats binnen zes maanden na afloop van het verzekeringsjaar dat volgt op het einde van het verzekeringsjaar waarin de fout met de premiebetaling is gemaakt. Als de verzekeringnemer geen of te weinig premies heeft betaald, bestaat het herstel erin dat hij alsnog (een deel van) de premies voldoet. Als de verzekeringnemer in het verzekeringsjaar een te hoge premie heeft betaald, kan de aanbieder in die situatie een (deel van een) premie terugstorten. Belanghebbende heeft een kapitaalverzekering met een verzekeringsjaar dat loopt van 1 mei tot en met 30 april. In het verzekeringsjaar 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 heeft hij € 1.000 te veel aan premie betaald gelet op de voor vrijstelling vereiste bandbreedte van de premies. Belanghebbende kan deze fout herstellen door de te veel betaalde premie uiterlijk 31 oktober 2024 (binnen zes maanden na afloop van het verzekeringsjaar 1 mei 2023 tot en met 30 april 2024) door de aanbieder terug te laten betalen. Deze terugbetaling kan ook plaatsvinden door met de aanbieder een verrekening met een nog verschuldigde premie overeen te komen. Een veelvoorkomende fout houdt in dat abusievelijk in een verzekeringsjaar zowel een hoge premie (factor 10) als de reguliere jaarpremie (factor 1) is voldaan. In de voorgaande verzekeringsjaren is alleen de reguliere premie voldaan. Die reguliere premie bedraagt dan minder dan 1/10e van de totale premie die in het jaar met de hoge storting is voldaan. Deze fout komt over het algemeen pas vele jaren later naar voren. Daardoor bestaat geen mogelijkheid meer van fiscaal herstel op grond van de goedkeuring in onderdeel 3.4.1. Het gevolg is dat de KEW vanaf het jaar waarin de hoge storting is gedaan, niet meer voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling en in dat jaar fictief tot uitkering komt. De KEW ‘verhuist’ vervolgens naar box 3 en is daar belast. Als het een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering betreft, is het gevolg dat de kapitaalsuitkering niet is vrijgesteld in box 1. Bij beide verzekeringen kan de aflossing van een in samenhang met de verzekering aangegane eigenwoningschuld problematisch worden. Dit vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat een fout die is gemaakt bij de hoogte van de premiebetalingen niet tot gevolg heeft dat de KEW niet aan de wettelijke bandbreedte-eis voldoet. Verzekeraars en financiële instellingen mogen hiervan uitgaan zonder een verklaring van de inspecteur. Ik keur in dit verband ook goed dat artikel 45aa, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing is, als de belastingplichtige verzoekt om ambtshalve vermindering van de aanslag waarin de fiscale gevolgen van de fout zijn opgenomen. Ik stel hierbij de volgende drie voorwaarden: Uit de overeenkomst blijkt dat bedoeld is te voldoen aan de bandbreedte-eis; De overschrijding betreft een incident en de totale premie die in het jaar met de hoge storting is voldaan, bedraagt niet meer dan het elfvoud van de laagste premie die voldaan is in één van de voorgaande verzekeringsjaren; en De KEW voldoet aan de overige voorwaarden die de Wet IB 2001 aan de vrijstelling stelt. Voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering geldt dat deze voldoet aan de overige voorwaarden die de Invoeringswet en de Wet IB 1964 aan de vrijstelling stellen.

Rechtspraak bij dit artikel