Voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen geldt een bijzondere waardevrijstelling in box 3 van in totaal € 123.428 (onderdeel AN, eerste lid, Invoeringswet). De vrijstelling geldt uitsluitend als aan de voorwaarden van het vierde lid is voldaan waaronder de eis dat het verzekerd kapitaal daarvan na 13 september 1999 niet is verhoogd (onderdeel AN, vierde lid, onderdeel a, Invoeringswet). Er zijn verzekeringsovereenkomsten waarvan het verzekerd kapitaal is verhoogd of nog kan worden verhoogd op grond van een indexclausule of optieclausule.
De bepaling over de verhoging van het verzekerde kapitaal moet zoveel mogelijk worden toegepast in overeenstemming met artikel 76 Wet IB 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 2000. Dit betekent onder meer dat verhogingen op grond van indexclausules of ‘normale en gebruikelijke’ optieclausules niet leiden tot het verlies van de vrijstelling in box 3. Voorwaarde hierbij is dat die clausules al vóór 14 september 1999 deel uitmaakten van de overeenkomst.
Artikel 76 Wet IB 1964, onderdeel AN Invoeringswet én hoofdstuk 10bis Wet IB 2001 bevatten overgangsrecht voor verschillende kapitaalverzekeringen. Om van het overgangsrecht gebruik te mogen blijven maken, mag het verzekerd kapitaal niet worden verhoogd. Als een verzekerd kapitaal ontbreekt − bijvoorbeeld bij een unit-linkedverzekering − geldt als voorwaarde dat het bedrag van de premies niet is verhoogd. Een verhoging van het verzekerd kapitaal, dan wel een verhoging van de premies, die plaatsvindt op grond van een normale en gebruikelijke optieclausule wordt hierbij niet beschouwd als een verhoging.
Bij wijzigingen en omzettingen van gemengde kapitaalverzekeringen vinden om uiteenlopende redenen aanpassingen plaats van de verzekerde uitkeringen bij overlijden en van andere meeverzekerde uitkeringen. Bij de beoordeling of de eerbiedigende werking dan is behouden, geldt dat de verzekerde rechten bij in leven zijn en door overlijden afzonderlijk moeten worden getoetst. Het gevolg van deze gesplitste beoordeling is dat een eventuele verhoging van het verzekerde kapitaal of van de premies voor de uitkering door overlijden niet leidt tot verlies van de eerbiedigende werking voor de uitkering bij leven.
Het komt echter ook voor dat het verzekerd kapitaal óf de premie voor de uitkering bij overlijden wordt verlaagd. Als daarbij de totaal overeengekomen en betaalde premies (de totaalpremies) gelijk blijven, wordt een groter deel van die premies aangewend voor de uitkering bij leven. Het gevolg hiervan kan zijn dat voor het verzekerde deel bij leven de eerbiedigende werking verloren gaat. In dat geval vind ik het verlagen van de totaalpremies onnodig omdat dit ertoe kan leiden dat niet langer wordt voldaan aan de bandbreedte-eis. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat bij wijziging of omzetting van een gemengde kapitaalverzekering het overgangsrecht van toepassing blijft als de fiscaal relevante totaalpremies op jaarbasis niet zijn verhoogd.
Ik stel hierbij de volgende vier voorwaarden:
Er vindt bij de wijziging of omzetting geen verlenging van de premiebetalende periode plaats;
Er vindt bij de wijziging of omzetting geen verlenging van de looptijd van de verzekering plaats;
Er vindt geen wijziging plaats van het verzekerd lijf, tenzij dit gebeurt in het kader van beëindiging van (fiscaal) partnerschap; en
Een nieuw verzekerd risico bij overlijden is qua hoogte een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden. Het is niet mogelijk de overlijdensdekking te laten vervallen. Als er twee verzekerde lijven zijn, is het wel mogelijk om één verzekerd lijf te laten vervallen.
Van een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden is bijvoorbeeld sprake bij een omzetting in een gemengde universal life verzekering (een verzekering die uitkeert bij in leven zijn op een bepaalde datum of bij eerder overlijden) waarbij in geval van overlijden 90% of 110% van de waarde van de units (beleggingen) wordt uitgekeerd.
Als een unit-linkedverzekering wordt omgezet in een gemengde euroverzekering, is bijvoorbeeld sprake van een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden als bij overlijden hetzelfde bedrag als bij in leven zijn of de restitutie van de betaalde of de in totaal te betalen premies wordt verzekerd.
Voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen, geldt dat de vervreemding van een kapitaalverzekering fiscaal geruisloos kan plaatsvinden als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 26b, eerste lid, Wet IB 1964. Eén van die voorwaarden is dat de vervreemding plaatsvindt in het kader van de verdeling van een gemeenschap van goederen. Te denken valt hierbij aan een gemeenschap die moet worden verdeeld als gevolg van echtscheiding of scheiding van tafel en bed.
Als echter geen gemeenschap van goederen bestaat, kan het ook gewenst zijn dat een kapitaalverzekering geheel of gedeeltelijk toekomt aan de andere echtgenoot. Bijvoorbeeld in de situatie waarin de echtgenoot op grond van een rechterlijke uitspraak de verplichting krijgt opgelegd om de waarde van een kapitaalverzekering te verrekenen. Of wanneer de waarde van een kapitaalverzekering moet worden verrekend op grond van een contractueel verrekenbeding of een ander beding. Dergelijke handelingen kunnen op grond van de letterlijke wettekst van artikel 26b, eerste lid, Wet IB 1964 niet fiscaal geruisloos plaatsvinden.
De situaties waarbij een verplichting bestaat om bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed de waarde van een kapitaalverzekering te verrekenen, komen in grote mate overeen met de situaties waarin een gemeenschap van goederen bestaat. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat in dergelijke situaties de verdeling geacht kan worden te hebben plaatsgevonden alsof er sprake is van het bestaan van een gemeenschap.
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende twee voorwaarden.
Beide (ex-) echtgenoten moeten een gezamenlijk verzoek doen aan de aanbieder om de kapitaalverzekering te wijzigen; en
In het verzoek aan de aanbieder moeten zij opnemen dat zij met overeenkomstige toepassing van artikel 26b Wet IB 1964 de kapitaalverzekering willen toerekenen dan wel splitsen. Ze moeten ook omschrijven wat de aard van de gezamenlijke gerechtigheid of de aard van de verrekeningsverplichting is.
Artikel 6
Vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen die niet zijn omgezet in een KEW (onderdelen AL tot en met AP Invoeringswet)
Onderdeel van Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen, SEW en BEW· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 19 juli 2024