Dit onderdeel bevat aanvullend beleid met betrekking tot de huurtoeslag.
De door fiscale partners voor de inkomstenbelasting gekozen toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen6Artikel 2.17 Wet IB 2001. kan er in bepaalde situaties onbedoeld toe leiden dat een van die partners door overschrijding van de vermogensgrens het recht op huurtoeslag verliest.7Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5310. Het gaat dan om de situatie waarin de fiscale partners geen, of niet het gehele jaar, toeslagpartner voor de huurtoeslag zijn8Er wordt dan niet voldaan aan de inschrijvingseis van artikel 1a, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag, omdat de partner niet op hetzelfde adres als de huurder in de basisregistratie personen staat ingeschreven. en de huurder het recht op huurtoeslag verliest door overschrijding van de vermogensgrens als gevolg van de tot stand gekomen onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de aanslag inkomstenbelasting. In voorkomende gevallen hebben de fiscale partners deze gevolgen bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting niet onderkend. In deze situatie staan de financiële gevolgen van het verlies aan recht op huurtoeslag niet in verhouding tot het voordeel dat door de gekozen verdeling mogelijk wordt genoten in de inkomstenbelasting.
Ik keur daarom vooruitlopend op wetgeving goed dat in genoemde situatie op verzoek van belanghebbende Dienst Toeslagen uitsluitend voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag mag uitgaan van een zodanige toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen dat bij belanghebbende geen sprake meer is van een overschrijding van de vermogensgrens. Op die wijze kan de belanghebbende zijn recht op huurtoeslag behouden. De goedkeuring heeft dus geen gevolgen voor de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de inkomstenbelasting en ook geen gevolgen voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen.
Hierbij stel ik de volgende voorwaarden:
De aanslag inkomstenbelasting van belanghebbende en die van zijn fiscale partner staan onherroepelijk vast. Indien de aanslag niet onherroepelijk vaststaat, bestaat voor de inkomstenbelasting de mogelijkheid om de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nog aan te passen.
Belanghebbende dient bij Dienst Toeslagen een verzoek in om voor de toepassing van de vermogenstoets in de huurtoeslag uit te gaan van een andere verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
Er is geen sprake van een structurele toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen met onbedoelde gevolgen voor de huurtoeslag. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij in de volgende jaren bij de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen rekening houdt met de gevolgen voor het recht op huurtoeslag.
Als de definitieve tegemoetkoming huurtoeslag waarop het verzoek betrekking heeft onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor herziening zoals opgenomen in artikel 21a Awir, jo. artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met dien verstande dat artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Awir geen toepassing vindt. Dit betekent dat een belanghebbende een verzoek om herziening op basis van dit onderdeel van het besluit kan doen tenzij vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht.
In de Wht zijn maximale huurgrenzen opgenomen. Het huurdeel boven de maximale huurgrens wordt niet gesubsidieerd.1Zie artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wht. Voor jongeren onder de 21 jaar geldt een lagere maximale huurgrens (jongerenhuurgrens), tenzij er sprake is van een handicap of inwonend kind. In de praktijk kan zich de uitzonderlijke situatie voordoen waarbij jongeren onder de 21 jaar na overlijden van hun ouder of voogd achterblijven in de woning en zij vanwege de voor hen geldende lagere maximale huurgrens recht hebben op een lager bedrag aan huurtoeslag.
Het betreft hier een uitzonderlijke groep jongeren in een schrijnende situatie die zich naast het verlies van hun ouder of voogd mogelijk ook geconfronteerd zien met een noodgedwongen verhuizing uit de (ouderlijke) woning, wanneer zij de huurprijs vanwege de jongerenhuurgrens voor de huurtoeslag niet meer kunnen betalen. Een oplossing op maat acht ik in deze situatie dan ook passend en geboden. Het verstrekken van een lager bedrag aan huurtoeslag voor deze specifieke groep jongeren vanwege hun jonge leeftijd ontstaan door een overleden ouder of voogd, is aan te merken als ‘onbillijkheid van overwegende aard’ waaraan met toepassing van de hardheidsclausule tegemoet kan worden gekomen.
Op grond van de hardheidsclausule (artikel 47, eerste lid, van de Awir) keur ik daarom goed dat op verzoek voor een jongere die als gevolg van het overlijden van een ouder of voogd huurder wordt van een woning waarvan de rekenhuur is gelegen boven de maximale huurgrens voor jongeren onder de 21 jaar, de maximale huurgrens voor huurders van 21 jaar en ouder wordt toegepast. Dit geldt in de situatie van een jongere onder de 21 jaar van wie een eerstegraad bloedverwant in de opgaande lijn of een voogd komt te overlijden en deze een woning huurde, waarvan de jongere huurder wordt. De overleden ouder of voogd dient op het tijdstip van overlijden samen met de jongere diens hoofdverblijf in de woning te hebben en zij dienen beiden ingeschreven te staan in de basisregistratie personen.
Artikel 4
Huurtoeslag
Onderdeel van Verzamelbesluit Toeslagen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 5 november 2024