Dit onderdeel bevat aanvullend beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.
In de praktijk doen zich situaties voor dat een ouder door omstandigheden niet in staat is om tijdig5Conform artikel 11f Regeling Wko. de kosten aan de kinderopvangorganisatie te betalen. De ouder kan met de kinderopvangorganisatie een betalingsregeling treffen. Het is mogelijk dat deze betalingsregeling de gestelde termijn van zes kalendermaanden na afloop van het berekeningsjaar overschrijdt. Ik vind het in deze situatie redelijk dat betalingen na de gestelde termijn in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van het recht op kinderopvangtoeslag. Daarom keur ik onder voorwaarden het volgende goed.
Ik keur goed dat betalingen gedaan in het kader van een betalingsregeling met de kinderopvangorganisatie ook als tijdige betaling kunnen worden aangemerkt.
Hierbij stel ik de volgende voorwaarden:
De betalingsregeling is schriftelijk overeengekomen vóór 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar;
De overeengekomen duur van de betalingsregeling is niet langer dan één jaar;
De ouder heeft eventuele (na)betalingen van de kinderopvangtoeslag over het betreffende berekeningsjaar gebruikt om de schuld bij de kinderopvangorganisatie af te lossen.
Als de betalingsregeling niet volledig wordt nagekomen, wordt het recht op kinderopvangtoeslag alsnog proportioneel vastgesteld conform de Wko.
In bijzondere gevallen waarin de betaling niet tijdig is verricht aan de kinderopvangorganisatie, kan Dienst Toeslagen afwijken van de in onderdeel 3.1 genoemde termijn en voorwaarden. Het gaat hierbij niet om situaties waarin de ouder financiële problemen heeft om de kosten van kinderopvang te betalen. Die omstandigheid kwalificeert niet als bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin.
Artikel 5 Awir bepaalt dat een wijziging in partnerschap die zich voordoet na de eerste dag van de maand, pas de eerste dag van de daaropvolgende maand in aanmerking wordt genomen. Als voor een aanvraag huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget partnerschap is vastgesteld, geldt dit op grond van de artikelen 3 en 5 Awir ook voor de in die maand nieuw aangevraagde kinderopvangtoeslag. Dit is ongeacht of de aanvraag kinderopvangtoeslag wordt ingediend na een wijziging in feitelijke omstandigheden, zoals een verhuizing van de aanvrager of partner. Een beslissing over het partnerschap geldt immers voor alle toeslagen en, vanwege de peildatumsystematiek van artikel 5 Awir, voor de hele maand waarin de wijziging zich voordoet.
Voorgaande kan tot gevolg hebben dat er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag in de maand waarin deze wordt aangevraagd als er op grond van artikel 5 Awir nog sprake is van een partner die niet voldoet aan de voorwaarden van de Wko. Bijvoorbeeld wanneer twee ongehuwd samenwonenden toeslagpartners zijn voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Indien één van beiden halverwege een kalendermaand met diens minderjarige kind verhuist en kinderopvangtoeslag aanvraagt, blijft de achtergebleven persoon conform artikel 5 Awir nog voor de rest van die kalendermaand de toeslagpartner van de vertrokken persoon. Wanneer de achtergebleven persoon niet aan het doelgroepvereiste van de Wet kinderopvang voldoet, heeft de vertrokken persoon met minderjarig kind voor die kalendermaand geen recht op kinderopvangtoeslag, ondanks dat deze vanaf de aanvraagdatum kinderopvangtoeslag niet meer met de partner samenwoont.
De Wko kent in het zesde lid van artikel 1.6 een uitzondering op het doelgroepvereiste voor partners die bloed- of aanverwant in de rechte lijn of de tweede graad van de zijlijn van de belanghebbende zijn. Voor partners die geen bloed- of aanverwant zijn, geldt de uitzondering niet en kan de doorwerking van artikel 5 Awir zoals hier beschreven nadelige gevolgen hebben.
Hoewel het nadelige gevolg voor een beperkte periode geldt – namelijk de maand waarin de kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd – kan dit voor een belanghebbende een behoorlijke financiële impact hebben. Dit is een onwenselijk gevolg dat is aan te merken als ‘onbillijkheid van overwegende aard’ waaraan met toepassing van de hardheidsclausule kan worden tegemoetgekomen.
Op grond van de hardheidsclausule (artikel 47, eerste lid, Awir) keur ik daarom goed dat Dienst Toeslagen het doelgroepvereiste van artikel 1.6, derde lid, Wko dat geldt voor de partner niet tegenwerpt in de maand waarin kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd indien:
het een aanvrager betreft die al andere toeslagen heeft lopen en die vervolgens kinderopvangtoeslag aanvraagt met een ingangsdatum die ligt na de datum waarop de feitelijke situatie inzake het partnerschap wijzigt en;
de toeslagpartner op grond van artikel 5 Awir nog voor de hele maand als partner wordt aangemerkt en;
de toeslagpartner niet voldoet aan het doelgroepvereiste van de Wko en er om die reden voor een deel van de maand geen recht is op kinderopvangtoeslag.
Uitsluitend voor deze situatie staat het niet voldoen aan het doelgroepvereiste door de partner niet in de weg aan het verstrekken van kinderopvangtoeslag. Het partnerschap blijft wel van toepassing, zodat de systematiek van artikel 3 in samenhang met 5 Awir voor alle toeslagen gelijk blijft en uitsluitend het onbedoelde negatieve gevolg dat er geen recht is op kinderopvangtoeslag wordt weggenomen.
Artikel 3
Kinderopvangtoeslag
Onderdeel van Verzamelbesluit Toeslagen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 5 november 2024