Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Uitslag tot verbruik

Onderdeel van Accijns, beleidsregels accijnswetgeving· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 30 januari 2025

(Vervallen per 01-01-2025) Een AGP is, gelet op artikel 42 van de wet, een geografisch vastgestelde locatie die in de vergunning is omschreven. Het is daarom in beginsel niet mogelijk een schip of vrachtauto als AGP aan te wijzen. Bij de levering van minerale oliën aan tankstations en schepen is het op het tijdstip van de uitslag tot verbruik nog niet bekend hoeveel minerale olie daadwerkelijk zal worden afgeleverd. Dit speelt ook bij bier dat vanuit de AGP met tankauto’s wordt afgeleverd bij horecaondernemers. De geleverde hoeveelheid staat pas vast bij de daadwerkelijke aflevering aan het tankstation, aan het schip of aan de horecaondernemer. Mede ter voorkoming van extra administratieve handelingen bestaat er daarom behoefte om voor deze leveringen een uitzondering te maken op vorenbedoeld vereiste met betrekking tot de locatie van een AGP. Ik keur goed dat tankauto’s die bier aan horecaondernemingen afleveren en tankauto’s die minerale olie aan tankstations afleveren met het oog op die afleveringen geacht worden deel uit te maken van de AGP waaruit wordt afgeleverd. Deze goedkeuring moet worden opgenomen in de vergunning voor de AGP waaruit wordt afgeleverd. De goedkeuring is van toepassing onder de volgende voorwaarden: de afleveringen van de minerale oliën en het bier moeten plaatsvinden via op de tankauto's aanwezige geijkte meters; voor de berekening van de verschuldigde accijns inzake lichte olie, halfzware olie en gasolie mogen de op de tankstations afgeleverde actuele liters worden omgerekend naar liters ad 15° C. op basis van de soortelijke massa van de betreffende minerale olie en de temperatuur op het moment van belading van de tankauto; voor de berekening van de verschuldigde accijns inzake vloeibaar gemaakt petroleumgas mogen de op de tankstations afgeleverde actuele liters worden omgerekend naar kilogrammen op basis van een soortelijke massa van 0,54; tijdens het vervoer van de minerale olie of het bier moet de herkomst worden aangetoond met een bescheid als bedoeld in artikel 54 van de regeling, uit het bescheid moet blijken dat de goederen zich onder deze goedkeuring bevinden; de samenstelling van het bier en de minerale olie mag niet worden gewijzigd. Ik keur goed dat tankauto’s en leurschepen die minerale oliën met vrijstelling van accijns op grond van artikel 66 van de wet afleveren aan schepen geacht worden deel uit te maken van de AGP waaruit wordt afgeleverd. Deze goedkeuring moet worden opgenomen in de vergunning voor de AGP waaruit wordt afgeleverd. De goedkeuring is van toepassing onder de volgende voorwaarden: De aflevering van minerale oliën met tankauto’s kan alleen plaatsvinden onder de volgende voorwaarden: de afleveringen van de minerale oliën moet plaatsvinden via op de tankauto’s aanwezige geijkte meters; vanuit de tankauto’s mogen alleen minerale oliën worden afgeleverd met vrijstelling van accijns aan schepen op grond van artikel 66 van de wet en aan leurschepen die in de AGP vergunning zijn opgenomen van waaruit wordt afgeleverd; tijdens het vervoer van de minerale olie moet de herkomst worden aangetoond met een bescheid als bedoeld in artikel 54 van de regeling, uit het bescheid moet blijken dat de minerale olie zich onder deze goedkeuring bevindt; de samenstelling van de minerale olie mag niet worden gewijzigd. De aflevering van minerale oliën met zogenoemde leurschepen kan alleen plaatsvinden onder de volgende voorwaarden: als leurschip wordt aangemerkt een schip dat in eigendom is van of dat voor minimaal een periode van een jaar gecharterd is door de vergunninghouder van de AGP; de namen en de registratienummers van de leurschepen moeten in de AGP-vergunning worden opgenomen; de vergunninghouder van de AGP moet per leurschip een deugdelijke administratie voeren van de ontvangen, afgeleverde en voorhanden zijnde minerale oliën; leurschepen mogen alleen minerale oliën vervoeren die eigendom zijn van de vergunninghouder van de AGP; vanuit de leurschepen mogen alleen minerale oliën worden afgeleverd met vrijstelling van accijns op grond van artikel 66 van de wet; tijdens het vervoer per leurschip van de minerale olie naar de schepen moet de herkomst worden aangetoond met een bescheid als omschreven in artikel 54 van de regeling; de samenstelling van de minerale olie mag niet worden gewijzigd. Bij enkele vergunninghouders van een AGP bestaat de behoefte om bepaalde verwerkingshandelingen met betrekking tot minerale oliën te verrichten buiten hun AGP. Het betreft hier het mengen van bepaalde minerale oliën aan boord van een schip, dat is gelegen aan een boei dan wel een vaste paal1Hierna wordt kortheidshalve alleen over ‘boei’ gesproken. in de haven (hierna: mengen op de boei). De minerale oliën die aan boord worden gebracht (via de zogenoemde ‘boord-boordoverslag’) zijn veelal afkomstig uit een of meer AGP’s of belastingentrepots. In het merendeel van de gevallen vindt het mengen plaats aan boord van een zeeschip, waarmee de minerale olie die ontstaat na vermenging wordt uitgevoerd. Het is echter ook mogelijk dat de na vermenging ontstane minerale olie naar een andere AGP wordt overgebracht. Vanuit logistieke overwegingen is het in bepaalde gevallen efficiënter om dit mengen aan boord van het (uitgaande) schip te verrichten in plaats van in een landtank van een in het havengebied gelegen AGP dan wel in een schip dat is gelegen aan de steiger van die AGP en dat verbonden is met de daar aanwezige installaties van de AGP. Het mengen van minerale oliën waarbij de samenstelling wordt gewijzigd wordt aangemerkt als het verwerken van minerale oliën als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de wet. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet is het niet toegestaan een accijnsgoed te produceren of verwerken buiten een AGP die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen. Artikel 1a, eerste lid, van de wet bepaalt dat onder een AGP wordt verstaan iedere plaats in Nederland waar op grond van de bepalingen van de wet accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden geproduceerd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden opgeslagen, mogen worden ontvangen of mogen worden verzonden. Uit het samenstel van wettelijke bepalingen en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat het bij een AGP gaat om een fysieke locatie zoals een gebouw of een terrein. Hoewel de huidige systematiek van de wet zich verzet tegen het verrichten van verwerkingshandelingen buiten een AGP, ben ik van mening dat in dit specifieke geval aanleiding bestaat aan de wens van deze vergunninghouders van een AGP tegemoet te komen. De eventuele heffing van accijns moet echter voldoende zijn verzekerd. Ik keur het volgende goed. De inspecteur kan op schriftelijk verzoek van een hierna te noemen vergunninghouder van een AGP het volgende toestaan. Een vergunninghouder van een AGP die beschikt over een vaste locatie van zijn AGP in het havengebied waarin de boei is gelegen kan verzoeken om een nauwkeurig omschreven boei met het in de directe omgeving van die boei gelegen water samen met een aan die boei gelegen schip dan wel bepaalde compartimenten van het schip, waarin het mengen op de boei plaatsvindt, als onderdeel van zijn AGP aan te merken. De combinatie van boei en schip (dan wel de vorenbedoelde compartimenten van het schip) maakt alsdan onderdeel uit van (de locatie van) zijn AGP, met dien verstande dat dit slechts geldt gedurende de tijd dat het mengen plaatsvindt in het aan de boei gelegen schip. Alle uit de vergunning voor zijn AGP voortvloeiende rechten en verplichtingen gelden onverkort voor de tijdelijk als onderdeel van zijn AGP aangemerkte combinatie van boei en schip. Een bepaalde boei kan door verschillende vergunninghouders van een AGP worden gebruikt, mits zij beschikken over vorenbedoelde toestemming van de inspecteur. Een aan de boei gelegen schip waarin het mengen plaatsvindt kan slechts onderdeel uitmaken van één AGP. Op de toestemming zijn de hierna genoemde voorwaarden van toepassing. Bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan wordt de verleende toestemming ingetrokken. De toestemming wordt opgenomen in de vergunning van de houder van de AGP. De toestemming is alleen van toepassing op de minerale oliën die in de vergunning zijn vermeld. Voor het verlenen van de toestemming aan een vergunninghouder van een AGP gelden de volgende voorwaarden: De havenautoriteiten hebben toestemming verleend voor de boord-boord overslag voor de schepen die betrokken zijn bij het mengen op de boei. De administratie van de vergunninghouder bevat afschriften van de door de havenautoriteiten verleende toestemmingen. Nadat de onder a) bedoelde toestemming is verkregen meldt de vergunninghouder actief aan de inspecteur bij welke boei en op welk schip dan wel in welk(e) compartiment(en) het mengen zal plaatsvinden. Deze melding moet ten minste 48 uur voorafgaande aan de aanvang van het mengen door de inspecteur zijn ontvangen teneinde toezicht aan boord van het schip mogelijk te maken. De vergunninghouder moet voldoende (administratieve) waarborgen treffen om de accijnsbelangen veilig te stellen en toezicht mogelijk te maken. Ook moeten alle op de e-AD’s geconstateerde verschillen in de administratie worden aangetekend. De vergunninghouder verricht alle voorgeschreven formaliteiten met betrekking tot de e-AD’s onder dekking waarvan de minerale oliën worden ingeslagen in het schip waarin het mengen plaatsvindt. Indien die minerale oliën afkomstig zijn uit de locatie van zijn AGP in het havengebied is artikel 34 van het besluit van overeenkomstige toepassing. Ook verricht de vergunninghouder alle voorgeschreven formaliteiten met betrekking tot de minerale oliën die in het schip aanwezig zijn wanneer dit de aan de boei gelegen plaats verlaat. De vergunninghouder schakelt een onafhankelijk controlebureau in dat in zijn opdracht wordt belast met de noodzakelijke metingen van de hoeveelheden minerale oliën die aan boord van het schip worden gebracht, alsmede van de hoeveelheden die aan boord van het schip aanwezig zijn, zowel voor als na de menging. Iedere wijziging die zich na het verlenen van de toestemming voordoet moet schriftelijk worden gemeld aan de inspecteur die de toestemming heeft verleend. Indien nodig kan de inspecteur nog nadere voorwaarden stellen aan het toezicht op de naleving van bovengenoemde voorwaarden. (Vervallen per 01-01-2025) Met ingang van 1 januari 2013 is het tariefonderscheid tussen hoogbelaste en laagbelaste halfzware olie en gasolie afgeschaft. De verplichting om laagbelaste halfzware olie en gasolie te voorzien van herkenningsmiddelen is daarom vervallen. De verplichting om minerale oliën te voorzien van herkenningsmiddelen blijft alleen bestaan voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de aandrijving van schepen, andere dan pleziervaartuigen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. Met ingang van 1 januari 2013 mogen minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen alleen nog voorhanden zijn in de in artikel 91, tweede lid, van de wet genoemde tanks. Daarnaast worden op grond van artikel 2e, vijfde lid, van de wet en artikel 3c van de regeling de in een andere lidstaat tot verbruik uitgeslagen minerale oliën die zich in de normale reservoirs van bedrijfsmotorrijtuigen bevinden en bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof voor deze motorrijtuigen, in Nederland niet belast met accijns. Hetzelfde geldt voor minerale oliën die zich bevinden in de normale reservoirs van containers voor speciale doeleinden en die bestemd zijn voor de werking tijdens het vervoer van specifieke systemen die tot de uitrusting van deze containers behoren. De minerale oliën die zich in deze normale reservoirs bevinden mogen in Nederland verbruikt worden. In andere dan de hiervoor genoemde gevallen is het niet toegestaan om minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen in Nederland voorhanden te hebben. Hierbij gaat het onder meer om minerale oliën in de brandstofreservoirs van niet-zelfrijdende werktuigen, generatoren en verwarmingsapparaten (dus andere reservoirs dan bedoeld in artikel 2e, vijfde lid, van de wet). Bij binnenkomst in Nederland zouden deze brandstofreservoirs moeten worden geleegd en worden voorzien van zogenoemde blanke olie. Dit is echter om technische en logistieke redenen veelal niet mogelijk en om milieutechnische redenen ook niet wenselijk. Het nakomen van deze verplichting zou het voor de betrokken bedrijven bijzonder moeilijk maken hun grensoverschrijdende activiteiten voort te zetten. Gelet op het vorenstaande keur ik goed dat niet als uitslag tot verbruik wordt aangemerkt minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen die zich bevinden in normale brandstofreservoirs van niet-zelfrijdende werktuigen, generatoren en verwarmingsapparaten onder de volgende voorwaarden en beperkingen: de minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen die in de normale brandstofreservoirs zijn getankt in een andere lidstaat, zijn in die lidstaat uitgeslagen tot verbruik en bevinden zich in overeenstemming met de accijnswetgeving van die lidstaat in die normale brandstofreservoirs (dit moet door belanghebbende worden aangetoond); de normale brandstofreservoirs moeten rechtstreeks zijn verbonden met de niet-zelfrijdende werktuigen, generatoren en verwarmingsapparaten (de goedkeuring geldt dus bijvoorbeeld niet voor losse brandstofreservoirs); de normale brandstofreservoirs mogen niet in verbinding staan met het brandstofsysteem voor de aandrijving van een voertuig of vaartuig. In de hiervoor genoemde gevallen wordt tevens ontheffing verleend van de verbodsbepaling van artikel 91, tweede lid, van de wet. Het vullen van de brandstofreservoirs in Nederland moet uiteraard plaatsvinden met minerale oliën die niet zijn voorzien van herkenningsmiddelen. Vanuit logistiek oogpunt is het vaak wenselijk dat accijnsgoederen tijdens de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling worden overgeladen in een ander vervoermiddel. Indien directe overlading in het opvolgende vervoermiddel niet mogelijk is, bestaat de behoefte bij bedrijven (hierna: logistieke dienstverleners) om de accijnsgoederen, in afwachting van het opvolgende vervoermiddel, tijdelijk op te slaan buiten een AGP (hierna: tijdelijke opslag. Dit moet niet worden verward met het begrip ‘tijdelijke opslag’ uit de douanewetgeving). De logistieke dienstverlener is niet de afzender of de geadresseerde van de accijnsgoederen, maar fungeert alleen als dienstverlener in de vervoersketen. De oorspronkelijke e-AD's blijven gewoon in stand. De mogelijkheid voor overlading is niet expliciet in de wetgeving opgenomen. Uit de toelichting op het e-AD (Tabel 1, punt 16f, van de Gedelegeerde Verordening) blijkt echter dat overlading mogelijk is bij vervoer van accijnsgoederen onder schorsing van accijns. De wetgeving voorziet niet in tijdelijke opslag. Opslag onder schorsing van accijns moet plaatsvinden in een AGP. De logistieke dienstverlener beschikt vaak niet over een vergunning voor een AGP. Indien accijnsgoederen die worden overgebracht onder een accijnsschorsingsregeling met het oog op de overlading in een opvolgend vervoermiddel gedurende een korte tijd worden opgeslagen, kan deze tijdelijke opslag plaatsvinden buiten een AGP. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: de tijdelijke opslag bij overlading vindt plaats bij een logistieke dienstverlener in Nederland; het opvolgende vervoer moet dan al bekend zijn, dat wil zeggen de aard (vrachtwagen, binnenschip e.d) en indien mogelijk de identiteit (kenteken vrachtauto, naam van het binnenschip e.d.) van het opvolgende vervoer; het aan de tijdelijke opslag voorafgaande vervoer en het opvolgende vervoer geschieden onder dekking van hetzelfde e-AD; de logistieke dienstverlener meldt aan de Douane de volgende gegevens: de ARC die aan het e-AD is toegekend, de overlading en de gegevens van het opvolgende vervoer en van de tijdelijke opslag (naam logistieke dienstverlener, adres van de tijdelijke opslag, aanvang van de tijdelijke opslag). Deze melding moet geschieden uiterlijk bij de aanvang van de tijdelijke opslag. Als bij de aanvang van de tijdelijke opslag de identiteit van het opvolgende vervoer nog niet bekend is, kan deze later worden gemeld, maar uiterlijk bij de beëindiging van de tijdelijke opslag. Naar aanleiding van de meldingen maakt de Douane een zogenoemd ‘verslag van een bijzonder voorval’ en legt dit vast in EMCS. De Douane op de plaats van bestemming weet dan dat terecht een ander vervoermiddel is gebruikt; de tijdelijke opslag vindt plaats binnen de vervoerstermijn die de verzender in het e-AD heeft opgegeven. Zoals blijkt uit de toelichting op het e-AD (Tabel 1, punt 1b, van de Gedelegeerde Verordening) gaat het daarbij om de normale duur van de reis, rekening houdende met het vervoermiddel en de afstand. Ter toelichting op de onder d genoemde voorwaarde: de Douane legt het bijzonder voorval vast in EMCS. Bij een eventuele controle na de tijdelijke opslag kan bij het raadplegen van EMCS geconstateerd worden dat de Douane op de hoogte was van de tijdelijke opslag. Tevens kan worden nagegaan wat de gegevens zijn met betrekking tot het opvolgende vervoer (bijvoorbeeld de identiteit van het vervoermiddel) en de tijdelijke opslag. Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is sprake van een onregelmatigheid tijdens het overbrengen van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, van de wet. Deze onregelmatigheid resulteert in uitslag tot verbruik van deze accijnsgoederen op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de wet (onregelmatig onttrekken van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling). Exploitanten van riviercruiseschepen stellen hun passagiers in de gelegenheid aan boord van hun schepen accijnsgoederen te verbruiken. Een groot deel van deze schepen komt via binnenwateren vanuit andere lidstaten naar Nederland of gaat vanuit Nederland naar andere lidstaten. Als een schip vanuit een andere lidstaat Nederland binnenkomt, is doorgaans een voorraad accijnsgoederen aan boord. Deze voorraad is bij binnenkomst van het schip in Nederland onmiddellijk beschikbaar voor levering aan de passagiers. Ook komt het voor dat schepen vanuit een lidstaat in Nederland worden bevoorraad. Tot slot hebben schepen die vanuit Nederland naar een andere lidstaat varen bij het verlaten van Nederland doorgaans een voorraad accijnsgoederen aan boord. Op grond van artikel 2e, eerste lid, en artikel 53a, eerste lid, onderdeel b, van de wet moet bij elke binnenkomst in Nederland over de voorraad accijnsgoederen, waarvan de accijns in een andere lidstaat is voldaan, de accijns op dagaangifte worden voldaan. Ook moet dagaangifte worden gedaan in het geval dat accijnsgoederen, waarvan de accijns in een andere lidstaat is voldaan, vanuit die andere lidstaat in Nederland aan boord van een schip worden gebracht. Als een schip Nederland verlaat, ontstaat voor de nog aanwezige voorraad accijnsgoederen recht op teruggaaf van accijns op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van de wet, als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Deze situatie leidt ertoe dat exploitanten van riviercruiseschepen een groot aantal dagaangiften moeten doen en veel verzoeken om teruggaaf kunnen doen. Zonder vereenvoudiging betekent dit voor exploitanten van riviercruises hoge administratieve lasten en voor de douane hoge uitvoeringskosten. Ter vereenvoudiging van de formaliteiten die de exploitant van riviercruiseschepen voor de commerciële levering van alcoholhoudende producten moet verrichten, keur ik het volgende goed. De inspecteur kan op schriftelijk verzoek en met inachtneming van de hierna vermelde voorwaarden bij vergunning een vereenvoudigde regeling toestaan. Deze vergunning ziet op de situatie dat een exploitant aan boord van een riviercruiseschip een voorraad alcoholhoudende producten voor directe levering aan boord aan de passagiers aanhoudt in het verkeer via binnenwateren tussen andere lidstaten van de Europese Unie en Nederland. Als exploitant wordt iedere persoon bedoeld die deze voorraad bij binnenkomst in Nederland voor commerciële doeleinden levert of gebruikt in de zin van artikel 2e, eerste lid, van de wet. Exploitanten die niet in Nederland zijn gevestigd maar wel in de Europese Unie kunnen voor de goedkeuring in aanmerking komen voor zover zij in Nederland een vertegenwoordiger hebben aangewezen. De vergunning wordt verleend aan de exploitant. In geval van buitenlandse exploitanten wordt de vergunning alleen verleend als een dergelijke exploitant ten behoeve van deze vergunning domicilie heeft gekozen op het adres van zijn vertegenwoordiger. In beginsel wordt de vergunning per schip verleend. Als een exploitant meer schepen heeft, kan echter worden volstaan met één vergunning waarbij de betreffende schepen in een bijlage zijn opgenomen. Met toepassing van deze goedkeuring is het mogelijk dat een exploitant over de voorraad alcoholhoudende producten die aan boord van het schip Nederland binnenkomt periodiek aangifte doet voor de verschuldigde accijns. De exploitant krijgt hiervoor een uitnodiging. Op het verschuldigde bedrag aan accijns kan de exploitant het in dat tijdvak ontstane recht op teruggaaf in mindering brengen. Als het bedrag inzake het recht op teruggaaf van accijns hoger is dan de in dat tijdvak verschuldigde accijns kan een verzoek om teruggaaf worden gedaan. Het tijdvak waarover de aangifte moet worden gedaan en waarop de teruggaaf betrekking heeft, is, in afwijking van artikel 53a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, een kalendermaand. De exploitant die niet in Nederland is gevestigd, of diens vertegenwoordiger, doet binnen een week na afloop van een kalendermaand een opgave bij de Centrale Unit Accijns. In de opgave wordt de hoeveelheid alcoholhoudende producten opgenomen die aan boord van zijn schip of schepen Nederland zijn binnengekomen, alsmede de hoeveelheid alcoholhoudende producten, waarvoor recht op teruggaaf is ontstaan. Voor de te verrekenen accijns ontvangt deze exploitant een naheffingsaanslag of een teruggaafbeschikking. De opgave bevat dezelfde gegevens als die van het formulier tot het doen van een weekaangifte. Voor de voorraad alcoholhoudende producten, die bij binnenkomst in Nederland aan boord is, kan de e-VAD als bedoeld in artikel 6 van het besluit achterwege blijven. Voor een dergelijke overbrenging hoeft geen e-VAD aanwezig te zijn. De exploitant moet voor de voorraad alcoholhoudende producten, die het schip gemiddeld commercieel voorhanden gaat houden in Nederland, zekerheid stellen. In de vergunning wordt vermeld wat ten minste in de administratie moet worden opgenomen en op welke wijze de exploitant medewerking moet verlenen aan controles die ambtenaren aan boord kunnen uitvoeren. Tabaksproducten vallen buiten deze goedkeuring. Tabaksproducten die in Nederland worden geleverd, moeten zijn voorzien van Nederlandse accijnszegels en gezondheidswaarschuwingen. De exploitant of, indien deze niet in Nederland is gevestigd, zijn vertegenwoordiger, moet een administratie bijhouden. Deze administratie moet zodanig zijn ingericht dat op eenvoudige wijze per schip is vast te stellen hoeveel alcoholhoudende producten, onderscheiden naar soort: bij binnenkomst van het schip in Nederland aan boord in voorraad waren; tijdens het verblijf in Nederland zijn gekocht en aan boord zijn afgeleverd; tijdens het verblijf in Nederland aan boord zijn verbruikt; bij het verlaten van het schip van Nederland aan boord in voorraad waren. Tevens moet op eenvoudige wijze kunnen worden vastgesteld: op welke wijze het verschuldigde bedrag aan accijns per kalendermaand per schip is berekend; op welke wijze het terug te vragen bedrag aan accijns per kalendermaand per schip is berekend. De exploitant moet binnen een week na afloop van de kalendermaand aangifte doen of, indien de exploitant niet in Nederland is gevestigd, een opgave doen. Indien de exploitant zich niet aan de voorwaarden van de administratie houdt of niet tijdig de aangifte of de opgave doet, wordt de vergunning ingetrokken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel