Een Nederlander die binnen tien jaar nadat hij Nederland metterwoon heeft verlaten, een schenking doet of overlijdt, wordt geacht op dat moment in Nederland te wonen (artikel 3, eerste lid, Successiewet).
Een Nederlander die in dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds geacht in Nederland te wonen, indien hij is uitgezonden:
als lid van een diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland; of
om in het kader van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, in een andere mogendheid werkzaamheden te verrichten (artikel 2, eerste lid, Successiewet).
Ook zijn partner en de kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en die in belangrijke mate door hem worden onderhouden in de zin van artikel 1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden geacht in Nederland te wonen.
De fictieve woonplaats van artikel 2, eerste lid, Successiewet vervalt als de dienstbetrekking eindigt. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, Successiewet is van belang of de tienjaarsperiode aanvangt:
na het einde van de dienstbetrekking; of
op het moment waarop Nederland metterwoon is verlaten.
Een redelijke wetsuitleg leidt ertoe dat voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, Successiewet de tienjaarsperiode ingaat op het moment waarop Nederland feitelijk metterwoon is verlaten. Deze wetsuitleg geldt voor alle gevallen waarop artikel 2, eerste lid, Successiewet van toepassing is, zoals voor Nederlandse diplomaten en Nederlanders die werkzaam zijn bij de Europese Unie.
Artikel 10
Aanvang tienjaarsperiode bij einde publiekrechtelijke dienstbetrekking
Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, internationale aspecten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 16 mei 2025