Verschuldigde successiebelasting die niet per verkrijger is gespecificeerd, kan aan de erfgenamen worden toegerekend in de verhouding van hun erfporties. Een voorbeeld daarvan is een successiebelasting die feitelijk een boedelbelasting is.
Per verkrijger wordt beoordeeld of recht bestaat op voorkoming van dubbele heffing van erf- of schenkbelasting (artikel 50 BVDB). Ook de berekening van de vermindering geschiedt per verkrijger. Hiermee is aangesloten bij het systeem van de Successiewet, waarbij de erf- of schenkbelasting per verkrijger wordt geheven.
Tot de nalatenschap van een erflater die in Nederland woonde, behoort een woning in een andere mogendheid met een waarde van 500. Er zijn geen schulden aan deze woning verbonden. Verder behoort tot de nalatenschap de woning van erflater in Nederland van 1.000. Daarop rust een schuld van 500.
Erflater heeft tot erfgenamen benoemd zijn enige kind en een nabij de buitenlandse woning gevestigde kloostergemeenschap, elk voor de helft. De aanslag successiebelasting in de andere mogendheid bedraagt 150 en is aan de gezamenlijke erfgenamen opgelegd, maar door het kind betaald. In Nederland heeft het klooster de status van algemeen nut beogende instelling zodat over de verkrijging door de kloostergemeenschap geen Nederlandse erfbelasting verschuldigd is. Het kind is in Nederland erfbelasting verschuldigd over de helft van de nalatenschap, dus de helft van (1.000 + 500 – 500) = 500. Rekening houdend met een kindvrijstelling van afgerond 25 en een tarief van 20% is het kind 95 erfbelasting in Nederland verschuldigd. De eerste limiet bij de berekening van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting is de buitenlandse successiebelasting. Deze wordt naar rato van het erfdeel van het kind meegeteld zodat deze uitkomt op 75.
De tweede limiet is het bedrag aan Nederlandse erfbelasting dat kan worden toegerekend aan de buitenlandse woning. Rekening houdend met het erfdeel van het kind, bedraagt de tweede limiet:
De vermindering bedraagt de laagste van de twee limieten, ofwel 50.
Er wordt in bovenstaand voorbeeld geen rekening gehouden met het feit dat het klooster geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting kan claimen. Dat zou neerkomen op een vermindering op nalatenschapsniveau en dat is in strijd met artikel 50 BVDB. Successiebelasting die is geheven van één van de verkrijgers uit een nalatenschap, kan dus niet verrekend worden met de erfbelasting die door andere verkrijgers uit dezelfde nalatenschap is verschuldigd.
Dit uitgangspunt geldt ook bij toepassing van artikel 16 en artikel 17 Successiewet. De van een afgezonderd particulier vermogen geheven gelijksoortige erf- of schenkbelasting (zie ook onderdeel 2 van dit besluit) wordt toegerekend aan de erfgenamen van de erflater dan wel de begiftigden op basis van dezelfde verdeling als die in artikel 16 of artikel 17 Successiewet (artikel 47, zevende lid, artikel 48, zesde lid, en artikel 51, eerste lid, onderdeel b, BVDB).
Artikel 9
Toerekening en berekening per verkrijger
Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, internationale aspecten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 16 mei 2025