Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van haar doelstelling (het bestedingscriterium, ook aangeduid als de anti-oppoteis).
Een ANBI mag reserves (zie 6.1) aanhouden. Het is in eerste instantie aan de instelling om te bepalen hoeveel vermogen zij aanhoudt. Daarbij is van belang dat de instelling goed kan onderbouwen waarom een bepaald vermogen wordt aangehouden. De inspecteur beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden in de concrete situatie of de omvang van het aangehouden vermogen en de onderbouwing redelijk zijn. In het hiernavolgende geef ik enkele handvatten voor de invulling in de praktijk.
Voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de ANBI kunnen verschillende afzonderlijke reserves worden aangehouden. Voor alle reserves geldt dat het doel en de motivering van de omvang van de aangehouden reserves moet zijn vermeld in de financiële administratie van de ANBI (artikel 1b, derde lid, UR AWR). De onderstaande reserves kunnen bijvoorbeeld worden aangehouden.
Het is toegestaan om een buffer (continuïteitsreserve) te vormen voor de fluctuaties in inkomsten om te voorkomen dat het voortbestaan van de instelling in gevaar komt. Een continuïteitsreserve van anderhalf maal het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie in de voorgaande drie jaren is in beginsel aanvaardbaar als buffer. Een hogere continuïteitsreserve mag worden aangehouden, mits de noodzaak daarvan voldoende is onderbouwd in de financiële administratie van de ANBI.
Bij kosten van de werkorganisatie moet worden gedacht aan de vaste kosten voor personeel, huisvesting, kantoor en administratie van de instelling. Hieronder vallen niet de kosten die direct toerekenbaar zijn aan een of meerdere algemeen nuttige activiteiten van de ANBI.
Met de term ‘voorziene werkzaamheden' heeft de wetgever een tweeledige betekenis voor ogen gehad. Ten eerste is bedoeld dat ANBI’s vermogensvorming motiveren aan de hand van concrete voorgenomen activiteiten die zijn gericht op de algemeen nuttige statutaire doelstelling. Dit brengt met zich mee dat als er geen concrete voorgenomen activiteiten zijn, er ook geen vermogen kan worden aangehouden. Wanneer een ANBI met het oog op de voorziene activiteiten vermogen aanhoudt, moet dit telkens, door middel van een beschrijving van concrete projecten en bedragen, worden gemotiveerd in de financiële administratie. Ook in het beleidsplan moet dit worden uitgewerkt. Ten tweede is beoogd een tijdsbepaling te geven. De voorziene werkzaamheden moeten binnen een redelijk tijdsbestek plaatsvinden.
Een ANBI mag middelen reserveren als de voorziene werkzaamheden, in de normale gang van zaken, ook (gedeeltelijk) kunnen worden bekostigd uit redelijkerwijs te verwachten inkomsten of toekomstige rendementen. Een periode van twee jaren wordt in beginsel als redelijk tijdsbestek gezien.
Stamvermogen is vermogen dat krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking is verkregen en dat op grond van de daaraan verbonden voorwaarden in stand moet worden gehouden (artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, UR AWR). Hierbij geldt een bestedingsbeperking die de schenker of erflater heeft vastgesteld. Ontbreekt een dergelijke bepaling in de schenkingsakte of in het testament, dan kan niet worden gesproken van stamvermogen. De instelling kan niet zelf vermogen als stamvermogen bestemmen.
Onder het begrip rendement vallen in het algemeen niet alleen dividend, rente, huur en pacht, maar ook (on)gerealiseerde koersstijgingen of andere waardestijgingen.
In de uitvoeringspraktijk is de vraag naar voren gekomen of voor ongerealiseerde rendementen eveneens geldt dat deze aan de algemeen nuttige doelstelling moeten worden besteed. Dat is het geval, behalve als de instandhoudingsverplichting die door de schenker of erflater is opgelegd, betrekking heeft op het vermogensbestanddeel zelf (dus niet op de geldelijke waarde daarvan).
Het bovenstaande laat onverlet dat een ANBI moet handelen in lijn met haar algemeen nuttige doelstelling door het in voldoende mate verrichten van algemeen nuttige activiteiten.
Of de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op het vermogensbestanddeel zelf is afhankelijk van de wil van de schenker of erflater, zoals die tot uiting komt in de voorwaarden die zijn verbonden aan de schenking of de uiterste wilsbeschikking. In de praktijk bieden deze voorwaarden echter niet altijd de benodigde duidelijkheid. Heeft de schenking of uiterste wilsbeschikking betrekking op andere vermogensbestanddelen dan een geldbedrag of effectenportefeuille, dan wordt aangenomen dat de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de vermogensbestanddelen zelf. Ongerealiseerde waardestijgingen van deze vermogensbestanddelen maken dan onderdeel uit van het stamvermogen.
Dit bewijsvermoeden geldt niet als uit de voorwaarden die aan de uiterste wilsbeschikking of schenking zijn verbonden of uit het handelen van de ANBI blijkt dat de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de geldelijke waarde van het ingebrachte vermogen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de ANBI de in het verleden verkregen vermogensbestanddelen op een bepaald moment te gelde heeft gemaakt. De vermogensbestanddelen zelf zijn dan niet in stand gehouden.
De rendementen op het stamvermogen – na aftrek van beheerskosten, eventuele (periodieke) indexering en geoorloofde reservevorming – moeten binnen een redelijke termijn worden besteed aan de algemeen nuttige doelstelling.
Rendementen op stamvermogen moeten worden besteed. Er zijn ANBI’s die een bestendige gedragslijn volgen in hun bestedingspercentage – bijvoorbeeld een vast percentage van het vermogen – met als gevolg dat dit bestedingspercentage op korte termijn bezien, afwijkt van het werkelijk behaalde rendement. Dit is in beginsel strijdig met het bestedingscriterium.
Om de praktijk handvatten te bieden, mogen ANBI’s ten aanzien van het stamvermogen een vast bestedingspercentage hanteren dat onafhankelijk is van het in een bepaald jaar werkelijk behaalde rendement, mits dit percentage aansluit bij het gemiddelde rendement10Zie voor het begrip rendement onderdeel 6.2.2.1. over een bepaalde periode. Als uitgangspunt kan hierbij worden genomen het gemiddelde rendement over de afgelopen vijf jaren in combinatie met het geprognosticeerde rendement voor de komende twee jaren. Dit vereist een jaarlijkse herbeoordeling van het te hanteren vaste bestedingspercentage. Het is in beginsel voldoende om het vastgestelde percentage tien jaar te hanteren. Als de jaarlijkse herbeoordeling echter in belangrijke mate (30% of meer) afwijkt, vormt dat moment ook een aanleiding voor aanpassing van het percentage.
Het stamvermogen mag in reële termen in stand worden gehouden. Dat wil zeggen dat de instelling dit vermogen jaarlijks mag indexeren, mits dit gebeurt op de uitdrukkelijke voorwaarde van de schenker of erflater. In de praktijk betekent dit dat niet steeds het volledige rendement hoeft te worden besteed, maar dat dit (deels) kan worden benut voor de indexering van het stamvermogen.
Voor de hoogte van de jaarlijkse indexering mag een ANBI aansluiten bij de Nederlandse consumentenprijsindex11Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert maandelijks informatie over de consumentenprijsindex.. Een ANBI mag hiervan afwijken, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij een ander inflatiecijfer, mits de ANBI kan onderbouwen waarom dat in haar geval gerechtvaardigd is.
Het voorgaande geldt niet voor zover de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de afzonderlijke vermogensbestanddelen in plaats van op de geldelijke waarde daarvan. Een jaarlijkse indexering is dan niet aan de orde.
Vóór 1 januari 2008 was het bestedingscriterium en daarmee de uitzondering voor stamvermogen nog niet in de wet opgenomen. Dit maakt dat het in de praktijk moeilijk is om bij oudere instellingen te kunnen vaststellen of sprake is van stamvermogen en zo ja, om de hoogte van het stamvermogen exact te kunnen bepalen. De benodigde gegevens zijn niet altijd (meer) beschikbaar. Bij een instelling die al vóór 1 januari 2008 bestond en in die periode ook slechts de rendementen heeft besteed, zal daarom geen afbouw van het (fictieve) (stam)vermogen worden geëist. Daarbij vormt het aanwezige eigen vermogen per 1 januari 2008, exclusief de eventueel aanwezige reserves voor toekomstige projecten of andere reële aangehouden reserves, het uitgangspunt. Het gaat hierbij om het daadwerkelijke eigen vermogen (lees: de waarde in het economische verkeer).
Artikel 6
Bestedingscriterium (anti-oppoteis)
Onderdeel van Besluit ANBI· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 4 juli 2025