In beginsel neemt de politie elke aangifte van discriminatie op en volgt er na elke aangifte een opsporingsonderzoek. Dit uitgangspunt geldt niet wanneer er alleen melding van discriminatie wordt gemaakt en de melder daarmee aangeeft het bij die melding te willen laten. De politie informeert slachtoffers over het verschil tussen het doen van aangifte en het doen van een melding, nu het vergroten van de aangiftebereidheid in de samenleving prioriteit heeft.
In voorkomende gevallen kan het OM ook zonder dat aangifte is gedaan, overgaan tot (ambtshalve) vervolging, zie 3.2. hierna.
Wanneer de politie na aangifte de inschatting maakt dat een opsporingsonderzoek achterwege kan blijven in een concreet geval of in een categorie van gevallen, neemt de politie contact op met een ter zake van discriminatie kundige vertegenwoordiger van het betreffende parket voor overleg.
Bij de weging van strafbare feiten is de aanwezigheid van een discriminatieaspect een zwaarwegende indicatie voor opsporing en vervolging.
Het is van belang dat de politie vroegtijdig signaleert dat sprake is van een discriminatieaspect en daarmee dat artikel 44bis Sr van toepassing is. De politie is daarom bij een aangifte of melding van een strafbaar feit alert op eventuele discriminatieaspecten, ook indien deze feiten en omstandigheden door de aangever zelf niet direct als discriminerend worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden van het voorval die kunnen wijzen op een discriminatieaspect, worden expliciet vermeld in het proces-verbaal of de mutatie.
Van belang is het grensgebied tussen artikel 137c (discriminatoire belediging in het openbaar van een groep mensen) en artikel 266 Sr (eenvoudige belediging). Wanneer enige twijfel bestaat over welk van deze artikelen van toepassing is, moet de aangifte mede als klacht worden opgenomen, zoals bedoeld in artikel 269 Sr (binnen drie maanden, zie artikel 66 Sr).
Discriminatoire uitingsdelicten worden veel via het internet en op sociale media gepleegd. Om een aantal redenen maakt dat de toepassing van het strafrecht complex. De plegers zijn relatief anoniem en kunnen overal ter wereld hun uitingen doen, niet gehinderd door landsgrenzen. Het gaat om laagdrempelige media: uitgingen zijn eenvoudig te plaatsen én overal en herhaald waar te nemen. Het aantal potentieel strafbare online gedane uitingen is enorm groot. Het is met andere woorden onmogelijk om alle strafbare uitingen te vervolgen.
Desalniettemin moet er worden opgetreden wanneer de grenzen van het strafrecht worden overschreden. Ook online moet de inzet van het strafrecht steeds worden bezien in de brede aanpak van discriminatie. Zo hebben bijvoorbeeld online platforms en (hosters van) websites hierin een eigen verantwoordelijkheid, waarbij kan worden gedacht aan bijstelling van algoritmes of het handhaven van de gebruikersvoorwaarden. Daarnaast zijn er partners die over een passender of minder ingrijpend (bestuursrechtelijk) instrumentarium dan het strafrecht beschikken.
Faciliterende instanties, zoals platforms, websites of hostingproviders die hun verantwoordlijkheden niet nemen, kunnen onder bepaalde omstandigheden strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden.
Het OM kan degenen, die die online uitingen van discriminatie plaatsen ook zonder aangifte opsporen en vervolgen.
Bij een verdachte die een groot aantal uitingen heeft gedaan kan de officier van justitie ervoor kiezen om de vervolging te richten op een evenwichtige selectie van strafbare uitingen. Hetzelfde geldt in geval van een opsporingsonderzoek waarbij veel verdachten in beeld komen.
Vanwege de vluchtigheid van online gedane uitingen, is het snel vastleggen ervan van belang voor de bewijsbaarheid.
Artikel 2
Aansturing van de opsporing
Onderdeel van Aanwijzing discriminatie· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 21 juli 2025