Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Vervolging

Onderdeel van Aanwijzing discriminatie· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 21 juli 2025

De in dit hoofdstuk opgenomen uitgangspunten en regels gelden zowel voor specifieke discriminatiefeiten als voor strafbare feiten met een discriminatieaspect, tenzij anders vermeld. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder de overkoepelende term discriminatiefeiten beide categorieën van strafbare feiten begrepen. Wordt een discriminatiefeit aangemeld bij ZSM dan geldt deze aanwijzing onverkort. Bij aanmelding van een discriminatiefeit bij ZSM vindt altijd overleg plaats met een ter zake van discriminatie kundige medewerker van het parket over de vraag of de zaak zich leent voor een ZSM-behandeling. Voor strafbare feiten met een discriminatieaspect is van belang dat de opsporingsambtenaar deze zo snel als mogelijk en herkenbaar aan het OM voorlegt. Het vervolgen van discriminatie geschiedt in het kader van de beschermde belangen die de wetgever met de strafbaarstelling van discriminatie heeft beoogd: bescherming van de openbare orde, bescherming van onbelemmerd maatschappelijk functioneren van groepen en bescherming van individuele personen. De ernst van discriminatiefeiten, alsmede de daarmee gepaard gaande maatschappelijke onrust – vaak in relatie tot grondrechten – maken een zorgvuldige vervolgingsafweging gewenst. Daarbij betrekt de officier van justitie de onder 3.2. genoemde wegingsfactoren. Wanneer aangifte is gedaan, is dat een duidelijk signaal dat de betreffende (strafbare) discriminatoire gedraging impact heeft gehad en wordt ten aanzien daarvan om een reactie van het OM gevraagd. Strafrechtelijk ingrijpen na een aangifte is gezien de beschermde belangen en de lage aangiftebereidheid het uitgangspunt. Een reactie vanuit het strafrecht kan echter ook zonder aangifte wenselijk of zelfs vereist zijn ter bescherming van de belangen die de wetgever met de discriminatieartikelen voor ogen stonden. Uitgangspunt is dat waar door middel van een aangifte om vervolging wordt verzocht, de officier van justitie bij bewijsbare en strafbare discriminatie vervolging instelt. In beide omstandigheden – wel of geen aangifte – moet het OM bij de vervolgingsbeslissing oog houden voor de brede aanpak van discriminatie; meegewogen wordt dat in sommige gevallen andere dan strafrechtelijke middelen meer aangewezen (kunnen) zijn. Bij de afweging om discriminatiefeiten te vervolgen, kan de reden dat daarmee een verdachte opnieuw een podium wordt geboden voor het verspreiden van discriminatoir gedachtegoed, geen argument zijn om niet te vervolgen. De aanwezigheid van een discriminatieaspect bij strafbare feiten vormt een zwaarwegende indicatie voor een strafrechtelijke reactie. Bij de vervolgingsafweging wordt het beleid betrokken dat geldt voor de betreffende strafbare feiten zonder discriminatieaspect. Daarnaast worden bij strafbare feiten met een discriminatieaspect ook de onder 3.2. genoemde wegingsfactoren bij de ambtshalve beslissing tot vervolging betrokken. Onderstaande factoren kunnen een rol spelen bij de weging of vervolging bij strafbare en bewijsbare discriminatiefeiten opportuun is, met name indien de officier van justitie overweegt om over te gaan tot ambtshalve vervolging: De ernst van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht; De mate van maatschappelijke onrust bij (delen van) de bevolking; De omstandigheid dat er sprake is van doelbewuste verspreiding van discriminatoir gedachtegoed; De hoeveelheid en stelselmatigheid van de gedragingen; Het belang van normstellend optreden en de mate waarin de waardigheid van de getroffen gemeenschap is aangetast; De hoedanigheid van de verdachte, waaronder het bereik dat de verdachte heeft gehad met diens gedraging en de eventuele antecedenten op het gebied van geweldsdelicten en/of discriminatiefeiten; De hoedanigheid van het slachtoffer, waaronder of het gaat om een persoon die het publieke belang dient; De repercussies die de verdachte als gevolg van het strafbaar handelen heeft ondervonden; De vraag of niet-strafrechtelijk ingrijpen meer voor de hand ligt of al heeft plaatsgevonden. Indien sprake is van een bewijsbaar en strafbaar discriminatiefeit en vervolging in de rede ligt, wordt overwogen of dagvaarding, meer in het bijzonder a) een voor eenieder toegankelijke behandeling van de zaak ter zitting, en b) een uitspraak van een rechter, bijdraagt aan de in deze aanwijzing gestelde doelen. Daarnaast wordt overwogen of er een belang is om het publiek te informeren over de afdoening. Wanneer dit belang een minder grote rol speelt, kan worden afgezien van een dagvaarding en in plaats daarvan een strafbeschikking worden opgelegd. Wanneer de officier van justitie besluit om niet (verder) te vervolgen, oftewel te seponeren, dan wel onder voorwaarden te seponeren, brengt de officier van justitie aangevers en slachtoffers schriftelijk gemotiveerd op de hoogte van de beslissing. In alle gevallen dat bij een bewijsbaar en strafbaar discriminatiefeit wordt overwogen om niet te vervolgen, legt de officier van justitie de voorgenomen beslissing (tijdig en beargumenteerd) ter toetsing voor aan het LECD. Alle discriminatiefeiten worden geprioriteerd afgedaan. In de toonzetting van het requisitoir en de strafmaat komt de maatschappelijke afwijzing van discriminatie duidelijk naar voren. In het geval van strafbare feiten met een discriminatieaspect wordt het discriminatieaspect opgenomen in de tenlastelegging. In het requisitoir of bij het OM-hoorgesprek wordt dit discriminatieaspect benadrukt, en als strafverzwarende omstandigheid in de strafeis of de straftoemeting betrokken. Voor zover het discriminatieaspect is meegenomen in strafvorderingsrichtlijnen die betrekking hebben op de betreffende strafbare feiten, wordt daarbij gehandeld met inachtneming van deze strafvorderingsrichtlijnen.1Wanneer een discriminatoir aspect bewezen kan worden geacht, kan de op dat feit gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis met een derde worden verhoogd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze strafverhogende omstandigheid ook doorwerkt in de straf(eis) indien het gaat om een geldboete of taakstraf, en ook van toepassing is bij vervolging middels een strafbeschikking. Handelingen TK 2024/2025, nr. 38, item 13, p.38-13-7, 38-13-14. Wanneer de rechter niet meegaat in een vordering tot een veroordeling ter zake van een discriminatiefeit door het OM, overlegt de zaaksofficier van justitie met de landelijk specialist discriminatie bij het ressortsparket en/of het LECD over het instellen van appèl. Als in hoger beroep geen veroordeling volgt, worden de mogelijkheden voor cassatie overwogen. De advocaat-generaal overlegt hierover met de cassatiedesk bij het ressortsparket en zo nodig met het LECD.

Rechtspraak bij dit artikel