Bij iedere normschending kijkt het BFT welk handhavingsinstrument het meest effectief en passend is om het doel te bereiken dat met de inzet van het handhavingsinstrument wordt nagestreefd. Bij deze keuze baseert het BFT zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard van de normschending.
Factoren die betrokken kunnen worden bij de keuze voor het inzetten van een bepaald instrument zijn onder meer:
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Een normschending kan incidenteel of structureel van aard zijn.
De duur van een normschending, het kan het gevolg zijn van niet-optimale of falende controlemechanismen bij de onder toezicht staande, dan wel het onvoldoende adequaat optreden door de onder toezicht staande na ontdekking van een normschending.
De mate van opzet en verwijtbaarheid;
De impact op derden, de maatschappij, de beroepsgroep of de onder toezicht staande zelf.
Recidive dan wel eerder door de onder toezicht staande geschonden normen van gelijke of vergelijkbare strekking.
Eigen initiatief en bereidheid tot voortvarend, volledig en tijdig herstel in combinatie met maatregelen ter voorkoming van herhaling van de normschending wegen als factor mee.
Overige omstandigh eden van de onder toezicht staande; bijvoorbeeld de omvang van de organisatie of dat de onder toezicht staande met de activiteiten is gestopt, of dat de onder toezicht staande heeft meegewerkt en inzicht heeft getoond;
Opgemerkt wordt dat deze opsomming niet uitputtend is bedoeld.
Artikel 4
Factoren
Onderdeel van Handhavingsbeleid van het BFT· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 18 juli 2025