De stichting heeft een raad van toezicht, bestaande uit een door de minister vast te stellen aantal van ten minste drie en ten hoogste negen natuurlijke personen. In ontstane vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
De raad van toezicht stelt, in overleg met de minister, een profielschets voor zijn omvang en samenstelling vast rekening houdend met de aard van de stichting, haar activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de leden van de raad van toezicht. Deze profielschets vermeldt dat slechts één voormalig bestuurder of andere beleidsbepalende functionaris van de stichting deel mag uitmaken van de raad van toezicht. De profielschets wordt opgenomen in het bestuursverslag van de stichting. Deze profielschets wordt periodiek geëvalueerd door de raad van toezicht en de minister maar in ieder geval wanneer een vacature vervuld dient te worden.
Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.
Wanneer op grond van het bepaalde in artikel 12.3 geen enkel lid van de raad van toezicht aan de besluitvorming kan deelnemen, neemt dan wel nemen degene(n) met het belang alsnog deel aan de beraadslaging en de stemming. In dat geval worden de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vastgelegd en gevoegd bij de staat van baten en lasten over het boekjaar waarin het besluit is genomen.
Leden van de raad van toezicht kunnen, behoudens ontheffing door de minister, geen directeur of bestuurder zijn van of het lidmaatschap van een toezichthoudend orgaan bekleden van een instelling die eenzelfde of een gelijksoortig doel heeft als de stichting. De minister kan bepalen dat deze ontheffing slechts geldig is voor een bepaalde door de minister vast te stellen periode.
Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met de functie van bestuurder of werknemer van de stichting.
De minister benoemt, met inachtneming van de profielschets als bedoeld in artikel 12.2, de leden van de raad van toezicht. De minister benoemt de voorzitter van de raad van toezicht in functie. Alvorens de minister overgaat tot benoeming van de overige leden van de raad van toezicht, informeert hij de voorzitter van de raad van toezicht omtrent de voorgenomen benoeming, waarna de voorzitter van de raad van toezicht moet verklaren dat hij geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen benoeming. Leden van de raad van toezicht kunnen te allen tijde worden geschorst en ontslagen door de minister.
Leden van de raad van toezicht worden benoemd voor de tijd van ten hoogste vier jaren en treden af volgens een door de raad van toezicht vast te stellen rooster van aftreden. De raad van toezicht is bevoegd zodanig rooster te wijzigen. Vaststelling van of wijziging in zodanig rooster kan niet meebrengen dat een zittend lid van de raad van toezicht tegen zijn wil defungeert voordat de termijn waarvoor hij is benoemd, verstreken is. Een volgens het rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk doch ten hoogste éénmaal herbenoembaar.
Een lid van de raad van toezicht defungeert:
door zijn overlijden;
doordat hij failliet wordt verklaard dan wel doordat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van toepassing wordt verklaard;
door zijn ondercuratelestelling of indien hij anderszins het vrije beheer over zijn vermogen verliest;
door zijn aftreden, al dan niet volgens het in artikel 12.8 bedoelde rooster;
door zijn ontslag, verleend door de minister;
door het aanvaarden van een benoeming tot bestuurder van de stichting;
doordat hij werknemer wordt van de stichting;
door het aanvaarden van een benoeming tot directeur dan wel bestuurder of tot lid van een toezichthoudend orgaan van een instelling die eenzelfde of een gelijksoortig doel heeft als de stichting, voor welke benoeming door de minister geen ontheffing is verleend.
Artikel 12
Raad van toezicht.
Onderdeel van Statuten Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2025· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 2 september 2025