De overdrager en de overnemer moeten hun verzoek om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb 1969 vóór de bedrijfsfusie schriftelijk indienen bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van de overdrager.
Belanghebbenden overleggen bij de indiening van hun verzoek de volgende stukken:
De voorovereenkomst of intentieverklaring (bij overdracht aan een daartoe op te richten lichaam), tenzij deze al zijn verstrekt op grond van paragraaf 4.1.
De fiscale balans per het tijdstip direct voorafgaande aan het overgangstijdstip van de ingebrachte onderneming.
De fiscale en de commerciële balans per het overgangstijdstip van de overnemer.
De fiscale balans per het overgangstijdstip van de overdrager.
De winst- en verliesrekening over het aan het overgangstijdstip voorafgaande boekjaar van de ingebrachte onderneming.
Een berekening van het vrij te stellen resultaat en het aantal uit te geven aandelen.
Een berekening van elementen (positief en/of negatief) waarover wel zal moeten worden afgerekend.
De reden(en) waarom belastingplichtigen menen niet te voldoen aan de vereisten van artikel 14, eerste lid, Wet Vpb 1969.
Als belanghebbenden ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet over de stukken beschikken, sturen zij deze stukken in overleg met de inspecteur zo spoedig mogelijk na.
Ik verleen de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op alle verzoeken om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb 1969 met uitzondering van de navolgende situaties:
Op het overgangstijdstip zijn voor het bepalen van de winst bij de overdrager en de overnemer niet dezelfde bepalingen van toepassing. Bijvoorbeeld doordat op het overgangstijdstip voor de overdrager dan wel overnemer het Besluit beleggingsinstellingen van toepassing is of het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 (bij toepassing van het Besluit beleggingsinstellingen: op het overgangstijdstip of in het jaar voorafgaand aan het overgangstijdstip).
De inspecteur is van mening dat het verzoek:
slechts kan worden ingewilligd onder het stellen van één of meer andere voorwaarden dan opgenomen in dit besluit (hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarbij tot de overgedragen onderneming lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid behoren);
moet worden afgewezen omdat om een andere reden dan het besluit vermeldt niet is voldaan aan de in de wet gestelde vereisten of omdat de heffing of invordering door de voorwaarden onvoldoende zijn verzekerd.
In de gevallen waarin de inspecteur op grond van de algemene toestemming het verzoek om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb 1969 zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij hij het volgende in acht neemt.
Als het verzoek wordt ingewilligd, dan doet de inspecteur dit onder het stellen van de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit.
Als bij de overnemer de zogenoemde verlengstukwinst aftrekbaar is (artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969) en bij de overdrager deze bepaling niet van toepassing is, neemt de inspecteur aanvullend de volgende voorwaarde op:
Beperkte aftrek van verlengstukwinst
Voorwaarde 13
De aftrek van verlengstukwinst (artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969) vindt bij de overnemer geen toepassing op winsten ontstaan door realisatie van stille reserves in vermogensbestanddelen, goodwill, alsmede op winsten uit fiscale reserves, welke voorafgaande aan het overgangstijdstip tot de overgedragen onderneming behoorden.
Als de gevraagde terugwerkende kracht op grond van het gestelde in paragraaf 4 van dit besluit niet aanvaardbaar is, maar wel aan alle overige vereisten is voldaan, handelt de inspecteur als volgt. Hij willigt het verzoek in onder het stellen van de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit en stelt daarbij het overgangstijdstip op de datum met ingang waarvan de overgedragen onderneming voor rekening en risico komt van de overnemer. Voordat hij de beschikking afgeeft, stelt hij belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord.
Valt het verzoek niet onder de in paragraaf 7.2. van dit besluit aan de inspecteur verleende toestemming tot het afdoen van verzoeken, dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht (ingericht overeenkomstig bijlage 2), zo spoedig mogelijk door naar de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Daar wordt het verzoek beoordeeld. Vervolgens wordt de inspecteur toegestaan op het verzoek te beslissen overeenkomstig deze beoordeling. De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hierna is vermeld.
Wordt het verzoek ingewilligd, dan geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af conform de toestemming en de daarbij opgenomen voorwaarden. De voorwaarden worden als bijlage met de beschikking meegezonden.
Is het verzoek niet voor inwilliging vatbaar, dan wijst de inspecteur het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking af, onder vermelding van de motivering (na belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord).
Als direct voorafgaande aan de overdracht om toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 is verzocht, handelt de inspecteur het verzoek om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb 1969 pas af nadat de beschikking voor de toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 is afgegeven. Als het verzoek om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb 1969 wordt ingediend voorafgaand aan de afgifte van de beschikking, bedoeld in artikel 3.65, vierde lid, Wet IB 2001, deelt de inspecteur de indiener van het verzoek mee dat het eerstgenoemde verzoek pas kan worden afgehandeld nadat het verzoek om toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 is ingewilligd (artikel 4.15 Awb).
De overdracht van een onderneming zonder belastingheffing kan zowel plaatsvinden met toepassing van artikel 14 Wet Vpb 1969 als binnen een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet Vpb 1969. Het is echter niet mogelijk om beide bepalingen toe te passen op dezelfde overdracht. Dit houdt in dat een verzoek ex artikel 14 Wet Vpb 1969 moet worden afgewezen als er een fiscale eenheid tussen de overdrager en de overnemer tot stand is gekomen en de overdracht binnen fiscale eenheid plaatsvindt. Als er al een beschikking op grond van artikel 14 Wet Vpb 1969 is afgegeven en er komt ná die beschikking alsnog een fiscale eenheid tot stand, waardoor de overdracht binnen de fiscale eenheid plaatsvindt, dan heeft de beschikking haar belang verloren. De overdracht van een onderneming aan een met ingang van haar oprichtingsdatum gevoegde dochtermaatschappij vindt steeds plaats tijdens het bestaan van de fiscale eenheid (artikel 6, vierde lid, Besluit fiscale eenheid 2003).
Artikel 7
Formele aspecten van de indiening en afhandeling van verzoeken om een fiscaal geruisloze bedrijfsfusie
Onderdeel van Bedrijfsfusiebesluit 2025· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 25 september 2025