**1.** Het aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep of basisgroep wordt afgestemd op het aantal daarin aanwezige kinderen, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.
**2.** Onverminderd het eerste lid volgt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen:
voor stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit;
voor basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit; en
voor gecombineerde groepen uit bijlage 3 bij dit besluit.
**3.** In afwijking van het tweede lid kunnen voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien:
per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden;
de kaders, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel a, in acht worden genomen;
gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet; en
indien het buitenschoolse opvang betreft, dit gebeurt op vrije dagen van de basisschool of tijdens de schoolvakanties.
**4.** In afwijking van het tweede lid kunnen bij buitenschoolse opvang voor en na de dagelijkse schooltijd en gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet.
**5.** Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, de stamgroep of basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal in te zetten beroepskrachten op of vanuit het kindercentrum ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.
**6.** In de dagopvang kan de afwijkende inzet, bedoeld in het derde lid, op de dagen van de week verschillen, met dien verstande dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.
**7.** Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.
**8.** Indien op grond van het derde of vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4
Artikel 2.13
Aantal beroepskrachten in een kindercentrum en beroepskracht-kindratio
Onderdeel van Besluit kinderopvang BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026