Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Dubbele belasting

Onderdeel van Besluit verrekening buitenlandse heffing van een afgezonderd particulier vermogen in verdragssituaties· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 6 november 2025

Bij de totstandkoming van artikel 2.14a Wet IB 2001, en bij de latere aanscherping van de toerekeningsstop in 2016 is voorzien dat toepassing van deze bepaling kan leiden tot dubbele belasting. Die dubbele belasting kan in dit verband twee vormen aannemen. Bij juridisch dubbele belasting wordt bij één persoon (subject) over één inkomen (object) door twee landen belasting geheven. Bij economisch dubbele belasting wordt bij twee verschillende subjecten over hetzelfde object belasting geheven door de betreffende landen. Nederland heeft met veel landen een regeling ter voorkoming van dubbele belasting (hierna: belastingverdrag) gesloten. Op basis van belastingverdragen wordt juridisch dubbele belasting veelal voorkomen. In het geval van APV’s komt het voor dat Nederland vermogensbestanddelen waarvan de juridische eigendom berust bij (de bestuurder van) het APV toerekent aan de inbrenger of diens erfgenaam, en het vestigingsland het APV zelfstandig in de heffing betrekt. Het gaat dan om economisch dubbele belasting. Die vorm van dubbele belasting wordt in beginsel niet opgelost door belastingverdragen. Daardoor kan zich in zowel verdrags- als niet-verdragssituaties economisch dubbele belasting voordoen. Om die reden is het huidige artikel 25b, Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: Bvdb 2001) ingevoerd. Op grond van die bepaling is het onder voorwaarden mogelijk de in het buitenland ter zake van het APV geheven belasting te verrekenen met de Nederlandse inkomstenbelasting. Daarmee heeft de wetgever beoogd ook economisch dubbele belasting te voorkomen, in zowel niet-verdragssituaties als in verdragssituaties waarin het betreffende verdrag geen oplossing biedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel