Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Inkomen uit aanmerkelijk belang

Onderdeel van Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 12 november 2025

Ingeval een belastingplichtige aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht heeft verkregen, hoeft belastingplichtige op verzoek, onder voorwaarden en tot een bepaald bedrag, binnen 24 maanden na overlijden van de erflater genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen of uit aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang te rekenen (artikel 4.12a Wet IB 2001). Voor de vraag tot welk bedrag belastingplichtige van deze faciliteit gebruik kan maken, is bepalend de mate waarin het aanmerkelijk belang krachtens erfrecht wordt verkregen. Het erfdeel van de belastingplichtige/erfgenaam is dus niet enkel bepalend. Indien een erflater meer dan één erfgenaam achterlaat en de wettelijke verdeling niet van toepassing is, ontstaat een onverdeeldheid. De nalatenschap moet vervolgens worden verdeeld. Ook hetgeen belastingplichtige bij de verdeling van de nalatenschap verkrijgt, verkrijgt belastingplichtige krachtens erfrecht. Tot de nalatenschap van X behoren onder meer alle aandelen in X BV. Ter zake van de overgang krachtens erfrecht is bij X € 90.000 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. X heeft drie erfgenamen, A, B en C, die ieder voor 1/3 deel zijn gerechtigd tot de nalatenschap. Bij de verdeling van de nalatenschap krijgen A en B ieder 50% van de aandelen in X BV toebedeeld; C krijgt een ander vermogensbestanddeel uit de nalatenschap. Daarna en binnen 24 maanden na overlijden van X, keert X BV dividend uit van in totaal € 90.000. A en B kunnen ieder voor € 45.000 een verzoek doen om dit dividend niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang te rekenen.1Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2025:10, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. In een situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder (eerste erflater) overlijdt en binnen 24 maanden daarna diens erfgenaam (tweede erflater) overlijdt, waardoor een dividenduitkering aan de tweede erflater niet is geformaliseerd, heb ik onder voorwaarden goedgekeurd dat de erfgenaam van de tweede erflater de regeling van artikel 4.12a Wet IB 2001 mag toepassen ter grootte van het bedrag dat bij de eerste erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. Ik keur op basis van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat in de omschreven situatie gebruik kan worden gemaakt van artikel 4.12a Wet IB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden. De erfgenaam van de eerste erflater is vóór de formalisering van de dividenduitkering uit de krachtens erfrecht verkregen aandelen en binnen 24 maanden na overlijden van de eerste erflater overleden. De erfgenaam van de tweede erflater maakt aannemelijk dat na het overlijden van de eerste erflater de tweede erflater binnen een termijn van 24 maanden een aanvang had gemaakt met het uitkeren van het dividend. Het dividend als bedoeld in voorwaarde 1 wordt (alsnog) uitgekeerd binnen 24 maanden na overlijden van de eerste erflater of wanneer dat later is binnen drie maanden na overlijden van de tweede erflater. Dit dividend (regulier voordeel) gaat (a) niet uit boven het bedrag dat bij de eerste erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, waarbij inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in de laatste volzin van artikel 4.12a Wet IB 2001 buiten beschouwing blijft, en (b) niet uit boven de verkrijgingsprijs van de aandelen van dezelfde soort van de erfgenaam van de tweede erflater. Dit dividend wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen van dezelfde soort van de erfgenaam van de tweede erflater. Z houdt alle aandelen in Z BV. Z overlijdt op 1 december 2023. X erft van Z de aandelen in Z BV. X wil Z BV dividend laten uitkeren en wil daarbij gebruik maken van de regeling van artikel 4.12a Wet IB 2001. X heeft hierover gemaild met diens adviseur. De adviseur heeft vervolgens een conceptbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders opgesteld waarin de algemene vergadering van aandeelhouders besluit tot het doen van de dividenduitkering. X overlijdt op 1 augustus 2025 en heeft als gevolg daarvan de dividenduitkering niet kunnen formaliseren. Y is erfgenaam van X en erft de aandelen in Z BV. Y kan aan de hand van de mail van X aan de adviseur en het conceptbesluit aannemelijk maken dat X een aanvang had gemaakt met het uitkeren van het dividend en kan zo voldoen aan voorwaarde 2 van de goedkeuring. Bovenstaande goedkeuring laat onverlet dat de erfgenaam van de tweede erflater binnen 24 maanden na het overlijden van de tweede erflater een regulier voordeel buiten aanmerking mag laten, voor zover dit regulier voordeel niet uitgaat boven het bedrag dat bij de tweede erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen nog kunnen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen van dezelfde soort van de erfgenaam van de tweede erflater. Een van de voorwaarden voor toepassing van de faciliteit van artikel 4.12a Wet IB 2001 is dat ter zake van de overgang krachtens erfrecht bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. In geval dit inkomen niet in aanmerking is genomen bij de erflater maar op grond van artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 bij diens partner, kan de erfgenaam de faciliteit van artikel 4.12a Wet IB 2001 toch toepassen gelet op doel en strekking van de faciliteit. Uiteraard mits daarbij wordt voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 4.12a Wet IB 2001, waaronder de begrenzing tot het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.2Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2024:19, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Ingeval het inkomen in aanmerking is genomen bij de partner van erflater, is dat bedrag van de begrenzing het bedrag dat bij erflater en diens partner in aanmerking is genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel