Een terugbetaling van kapitaal op aandelen zonder nominale waarde (bijvoorbeeld door een Belgische nv aan een in Nederland woonachtige aandeelhouder) is belast als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Er wordt namelijk niet aan alle vereisten voldaan voor een onbelaste teruggaaf van wat op aandelen is gestort (artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Eén van die vereisten is dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging wordt verlaagd. Hieraan wordt niet voldaan als de aandelen geen nominale waarde hebben. Ook een terugbetaling van agio of informeel kapitaal is onder die omstandigheden belast als regulier voordeel. Voor de volledigheid merk ik op dat een belaste terugbetaling niet leidt tot een verlaging van de verkrijgingsprijs.
Een geldlening kan onder omstandigheden als een onzakelijke lening worden aangemerkt (zie onder andere HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Zie verder het besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.2.1. tot en met 8.2.4.
Als een vennootschap een onzakelijke lening aan haar aanmerkelijkbelanghouder verstrekt, een onzakelijke lening omhoog, kan de kwijtschelding van deze lening leiden tot een winstuitdeling aan deze aandeelhouder. Dat kan zich, afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, voordoen als de vennootschap het onzakelijke debiteurenrisico dat is verbonden aan deze lening heeft aanvaard in het belang van deze aandeelhouder. Als vervolgens vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichtingen zal voldoen bijvoorbeeld in geval van (materiële) kwijtschelding, is mogelijk sprake van een winstuitdeling aan de aanmerkelijkbelanghouder (HR 28 februari 2014, nr. 12/03526 ECLI:NL:HR:2014:417).
Een uitdeling kan zich eveneens voordoen ingeval van een onzakelijke lening tussen zustervennootschappen, een onzakelijke lening opzij, in welke vennootschappen een aandeelhouder een aanmerkelijk belang heeft.
Er moet rente in aanmerking worden genomen, ook in geval sprake is van een onzakelijke lening tussen een aandeelhouder en zijn vennootschap. Die rente kan uit praktisch oogpunt worden gesteld op het bedrag dat de debiteur zou moeten vergoeden indien hij met een borgstelling van de aandeelhouder onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen (zie HR 25 november 2011, nr. 08/05323, r.o. 3.3.2. en r.o. 3.3.4., ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Als sprake is van een onzakelijke lening van de aanmerkelijkbelanghouder aan diens vennootschap, een onzakelijke lening omlaag, en blijkt dat door de vennootschap een hogere rentevergoeding is betaald dan uit voorgaande praktische regel volgt, dan wordt dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als winstuitdeling aan de aandeelhouder aangemerkt. Is een lagere rente betaald, dan kan sprake zijn van een storting van informeel kapitaal. Als sprake is van een onzakelijke lening omhoog en blijkt dat door de aanmerkelijkbelanghouder een hogere rentevergoeding is betaald dan uit voorgaande praktische regel volgt, dan kan dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als informele kapitaalstorting worden aangemerkt. Is een lagere rente betaald, dan wordt dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als winstuitdeling aan de aandeelhouder aangemerkt.
Een vergoeding van de vennootschap aan de aanmerkelijkbelanghouder in verband met een onzakelijke borgstelling door die aanmerkelijkbelanghouder ten behoeve van die vennootschap zijn bij deze aanmerkelijkbelanghouder belast als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Omdat deze borgstelling zich in de kapitaalsfeer bevindt, wordt de borgstellingsvergoeding fiscaal aangemerkt als regulier voordeel en mist artikel 3.92, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001 daarom toepassing. Zie ook besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.3.1. Voor de vennootschap geldt dat genoemde vergoeding niet aftrekbaar is.
Bij aandelen in blote eigendom en aandelen met een recht van vruchtgebruik in een vennootschap als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 moet zowel de blooteigenaar als de vruchtgebruiker van de aandelen een forfaitair voordeel in aanmerking nemen. De grondslag voor de berekening van het forfaitair voordeel is de waarde in het economisch verkeer van de blote eigendom onderscheidenlijk het recht van vruchtgebruik van deze aandelen per begin van het kalenderjaar.
Dividenden die de vennootschap in dat jaar uitkeert aan de vruchtgebruiker worden als regulier voordeel bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen. Dit regulier voordeel vermindert de omvang van diens forfaitair voordeel, maar niet verder dan tot nihil (artikel 4.14a, eerste lid, Wet IB 2001).
Voor zover bij de vruchtgebruiker het regulier voordeel uit hoofde van de dividenden hoger is dan het bedrag waarmee diens forfaitair voordeel kan worden verminderd, kan op grond van een redelijke wetstoepassing het meerdere in mindering worden gebracht bij de bepaling van het forfaitaire voordeel van de blooteigenaar, maar niet verder dan tot nihil.3Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:10, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Als een natuurlijk persoon met aandelen in of winstbewijzen van een niet in Nederland gevestigde vennootschap als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 in de loop van het jaar naar Nederland immigreert, is de grondslag voor de berekening van het forfaitair voordeel de waarde in het economisch verkeer van die aandelen of winstbewijzen bij het begin van dat jaar. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omvang van het forfaitair voordeel naar tijdsgelang wordt berekend. Hierbij worden gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd.4Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Bij emigratie in de loop van een jaar van een natuurlijk persoon met aandelen in of winstbewijzen van een vrijgestelde beleggingsinstelling of buitenlands beleggingslichaam als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 brengt, als Nederland geen heffingsrecht meer heeft, een redelijke wetstoepassing eveneens mee dat het forfaitair voordeel wordt berekend naar tijdsgelang. Ook hierbij worden gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd.
Het forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001, wordt geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de binnenlandse belastingplicht indien deze in de loop van het kalenderjaar eindigt (artikel 4.43, tweede lid, Wet IB 2001). Wanneer een kind in het kalenderjaar of voor het einde van de binnenlandse belastingplicht meerderjarig wordt, wordt het forfaitair voordeel bij het meerderjarige kind zelf in aanmerking genomen en niet bij de ouder(s) die voordien het gezag over het kind uitoefende(n). Artikel 2.15, tweede en vierde lid, Wet IB 2001 zijn dan niet van toepassing op het forfaitair voordeel.
Als in het kalenderjaar een regulier voordeel wordt genoten voordat het kind meerderjarig wordt in dat kalenderjaar en dat voordeel is in aanmerking genomen bij de ouder(s), dan volgt uit de wetssystematiek van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 dat het regulier voordeel het forfaitair voordeel verlaagt tot maximaal nihil.
Een fictief regulier voordeel is het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Onder schulden wordt verstaan: alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen (artikel 4.13, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet IB 2001). De aanwending van de geleende gelden is niet relevant. Dit schuldenbegrip is een ruim begrip. Het bedrag van de schulden wordt bepaald aan het einde van het kalenderjaar op basis van de nominale waarde (artikel 4.14a, vierde lid, Wet IB 2001).
Onder het schuldenbegrip valt bijvoorbeeld een winstrechtverplichting die kort gezegd de belastingplichtige heeft bij de eigen bv ter grootte van de koopsom voor de onderneming van de eigen bv en bestaande uit een tijdelijk aandeel in de toekomstige jaarwinst van de onderneming. Deze winstrechtverplichting is gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer van de onderneming op het moment dat de bv de onderneming aan de belastingplichtige overdraagt tegen het winstrecht. Deze waarde is de nominale waarde van de winstrechtverplichting die belastingplichtige heeft bij de eigen bv.
Zo’n winstrechtverplichting zal als gevolg van aflossingen en ook (bijgestelde) winstverwachtingen wijzigen. In de regel zal de nominale waarde van de winstrechtverplichting afnemen. Vanuit praktische overwegingen kan voor de afgesproken duur van het winstrecht rekening worden gehouden met een lineaire waardevermindering. Bij bijvoorbeeld een vierjarig winstrecht, daalt de nominale waarde van de winstrechtverplichting dan elk jaar lineair met 25%.5Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:12, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Tot het ruime schuldenbegrip van artikel 4.13, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet IB 2001 behoren ook schulden die een ondernemer/aanmerkelijkbelanghouder aangaat bij de eigen bv en die zijn geëtiketteerd als ondernemingsvermogen van de onderneming voor de inkomstenbelasting (zie Kamerstukken II 2020/21, 35496, nr. 9, p. 33/34). De rangorderegeling van artikel 2.14, eerste lid, Wet IB 2001 voorkomt dat niet. Zo valt onder het schuldenbegrip in beginsel ook de ondernemingsschuld die de ondernemer/aanmerkelijkbelanghouder is aangegaan bij de eigen bv voor de financiering van de (ondernemers)woning als bedoeld in artikel 3.19 Wet IB 2001.
Eigenwoningschulden als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 tellen onder voorwaarden niet mee bij de bepaling van het bovenmatige deel van schulden (artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001).
Voor een woning die tot het ondernemingsvermogen behoort en voor een woning die valt onder de eigenwoningregeling (artikel 3.19 onderscheidenlijk artikel 3.110 en volgende, Wet IB 2001) heeft de wetgever een op hoofdlijnen vergelijkbare systematiek in het leven geroepen, namelijk belasting van een forfaitair bepaald woongenot onder aftrekbaarheid van bepaalde kosten. Vanuit deze gedachte en gelet op doel en strekking van de Wet IB 2001 is het passend dat een ondernemingsschuld voor een woning als bedoeld in artikel 3.19 Wet IB 2001 onder de uitzondering van artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001 valt voor zover en voor zolang deze schuld getoetst aan artikel 3.119a Wet IB 2001 als eigenwoningschuld zou kwalificeren en aan de overige voorwaarden van artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001 wordt voldaan. Hierbij wordt voor eigenwoning gelezen ‘woning’ als bedoeld in artikel 3.19 Wet IB 2001.6Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:11, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
X heeft naast een aanmerkelijk belang in A BV een box 1-onderneming. De aandelen in A BV behoren niet tot het ondernemingsvermogen van deze onderneming. De woning van X en de schuld ter financiering van deze woning zijn geëtiketteerd als ondernemingsvermogen. Voor de woning krijgt X een bijtelling privégebruik woning als bedoeld in artikel 3.19 Wet IB 2001. De schuld is aangegaan bij A BV. Ter zake van deze schuld heeft X een recht van hypotheek op de woning verstrekt aan A BV.
De schuld van X bij A BV telt niet mee bij de bepaling van het fictief regulier voordeel voor zover en zolang de hypothecaire schuld per 31 december van het jaar (peildatum bepaling fictief regulier voordeel) voldoet aan de definitie van de eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001, waarbij voor eigenwoning wordt gelezen ‘woning’ als bedoeld in artikel 3.19 Wet IB 2001.
Bij het bepalen van het bovenmatige deel van schulden telt een eigenwoningschuld niet mee voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap (artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001). Op grond van de overgangsbepaling van artikel 10a.23 Wet IB 2001 geldt de voorwaarde van recht van hypotheek niet voor een op 31 december 2022 bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a ter zake waarvan geen recht van hypotheek is verstrekt aan de vennootschap.
Deze overgangsbepaling geldt niet voor op 31 december 2022 bestaande eigenwoningschulden die bij derden zijn aangegaan en die na 31 december 2022 worden overgesloten naar de eigen vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt.7Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:7, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Dit betekent dat deze naar de eigen vennootschap overgesloten eigenwoningschuld slechts is uitgezonderd voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 496, nr. 3, p. 27.
Artikel 4
Reguliere voordelen
Onderdeel van Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 12 november 2025