Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.3

Artikel 2.17

voorwaarden noodlevering

Onderdeel van Energiebesluit· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. De noodleverancier bepaalt zo spoedig mogelijk na aanvang van de noodlevering, doch uiterlijk binnen 5 werkdagen, de hoogte van de door de eindafnemer met een kleine aansluiting gedurende de termijn van zes maanden voor de levering verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, en doet van de hoogte en de samenstelling van de vergoeding onverwijld mededeling aan de Autoriteit Consument en Markt. De noodleverancier kan de hoogte van de verschuldigde vergoeding tussentijds uitsluitend verlagen. 2. De hoogte van de voor de levering verschuldigde vergoeding ziet uitsluitend op vergoeding van redelijke kosten van de noodlevering voor de vergunninghouder. 3. De Autoriteit Consument en Markt kan een maximum vaststellen waar de hoogte van de voor de levering verschuldigde vergoeding, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, aan gebonden is. De Autoriteit Consument en Markt baseert de hoogte van het maximum op een vergelijking met het relevante marktaanbod van leveringsovereenkomsten en neemt daarbij de actuele marktomstandigheden en de bijzondere kenmerken van de tijdelijke levering op grond van de wet en de daarmee samenhangende kosten in aanmerking. 4. Op de noodlevering is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.13, 2.31, 2.42, eerste lid, en 2.43, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder de noodlevering plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel