Bij landinrichting betreft het maatregelen en voorzieningen gericht op de inrichting van het landelijke gebied met gebruikmaking van de bevoegdheden en instrumenten zoals genoemd in hoofdstuk 12 van de Omgevingswet, daaronder begrepen onder andere herverkaveling (ruilverkaveling). Dit laatste betreft de samenvoeging, verkaveling en verdeling van onroerende zaken met als uitgangspunt dat alle grondgebruikers hiervan profijt hebben. De kosten van landinrichting worden ingevolge de Omgevingswet gedragen door de provincie voor zover zij niet worden gedragen door andere openbare lichamen en de eigenaren. Ingevolge artikel 13.9 van de Omgevingswet komen de kosten van de in een herverkaveling betrokken onroerende zaken die zijn gemaakt ten behoeve van een blok ten laste van de eigenaren gezamenlijk. Deze kosten worden over de eigenaren omgeslagen. De betaling van kosten voor landinrichting onder de eerdere Landinrichtingswet was op een andere wijze ingericht dan onder de Wet inrichting landelijk gebied en de Omgevingswet. Bij herverkavelingen waarop de Wet inrichting landelijk gebied of de Omgevingswet van toepassing is, moeten de kosten van herverkaveling in één keer worden voldaan. Onder de eerdere Landinrichtingswet konden de kosten over een periode van 26 jaar worden voldaan. Wellicht ten overvloede, ontvangen bedragen in het kader van de landinrichting komen in mindering op de kosten.
Landinrichting kan leiden tot waardevermeerdering van de verkavelde percelen. In dit kader komt de vraag op wat de fiscale gevolgen zijn van de uit landinrichting voortvloeiende waardevermeerdering van de verkavelde percelen en de aan landinrichting verbonden kosten.
Voor de verkavelde grond die deel uitmaakt van het vermogen van een landbouwbedrijf geldt dat de waardevermeerderingen als gevolg van algemene en bijzondere verbeteringen, welke door landinrichting worden verkregen, bij de winstberekening in aanmerking moeten worden genomen. Op deze waardeveranderingen is de landbouwvrijstelling van art. 3.12 Wet IB 2001 niet van toepassing.
Dit houdt echter niet in dat de waardevermeerderingen direct aanleiding geven tot het heffen van belasting. Volgens goed koopmansgebruik behoeft de waardevermeerdering als gevolg van de landinrichting alleen te worden geactiveerd voor zover daar kosten tegenover staan. Ten overvloede, kosten van rentelasten zijn niet van invloed op die waardeveranderingen.
Ik keur goed dat in het algemeen wordt aangenomen dat de werkelijke waardestijging als gevolg van de landinrichting het te betalen aandeel in de kosten niet overtreft. Hiermee wordt beoogd dat bij een latere realisatie de eventueel tot uitdrukking komende winst niet wordt aangemerkt als te zijn voortgevloeid uit de landinrichting en daarom niet op deze grond wordt belast. Alleen in zeer sprekende gevallen, waarin zonder nader onderzoek duidelijk is dat de werkelijke waardestijging het aandeel in de kosten van een verkaveld perceel in belangrijke mate (30% of meer), overtreft wordt van het vorenstaande afgeweken. Feiten en omstandigheden moeten uitwijzen wanneer daarvan sprake is.
Wellicht ten overvloede, de goedkeuring is niet van toepassing op het voordeel als gevolg van overbedeling in de grond, wanneer de (verreken)prijs die voor de overbedeling wordt voldaan lager is dan de waarde in het economische verkeer van de overbedeling. Er is in zoverre geen sprake van een waardeverandering van de grond.
Artikel 7
Landinrichting
Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, winst; landbouwproblematiek· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 15 november 2025