Zowel een FGR als een transparant fonds is een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden. Deelname vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid.
De activiteiten van een fonds zijn gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden. Deze beleggingsvoordelen ontstaan uit het vermogen van twee of meer deelgerechtigden dat, met een (of meerdere) gemeenschappelijke beleggingsdoel(en), feitelijk is bijeengebracht. Bij dit doel moet het gaan om voordelen die worden behaald door het collectief beleggen. Dat wil zeggen dat het samenbrengen van de vermogens is gericht op het behalen van een synergetisch effect of risicospreiding. Hieruit volgt dat de gerichtheid op het behalen van louter fiscale voordelen niet kwalificeert als een dergelijk doel.
De termen 'voor gemene rekening' (Wet VPB) en 'collectief' in collectief beleggen (Wft) zijn in dit verband synoniemen en betekenen dat sprake moet zijn van meer dan één deelgerechtigde.3Kamerstukken II 2023/24, 36 423, nr. 3, p. 13.
Een fonds met slechts één deelgerechtigde kan daarom niet worden aangemerkt als een FGR of transparant fonds.4HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115. Vorenstaande laat onverlet dat een beleggingsfonds het karakter van FGR of transparant fonds niet verliest, indien is beoogd dat er meerdere deelgerechtigden zijn, maar de bewijzen van deelgerechtigdheid in het fondsvermogen voor korte tijd in één hand komen.
Het begrip beleggen wordt fiscaalrechtelijk uitgelegd. Dit betekent kort gezegd dat het bezit van vermogen is gericht op het rendement en de waardestijging die bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht. Voor de vraag of sprake is van beleggen, en dus niet van ondernemen, wordt aangesloten bij de criteria die daarvoor in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Met het zinsdeel ‘anderszins aanwenden van gelden’ wordt slechts een uitbreiding gegeven van het begrip beleggen. Dit zinsdeel betekent niet dat de activiteiten van het FGR of het transparant fonds een materiële onderneming mogen vormen.
Een cv is in beginsel fiscaal transparant. Dit betekent dat de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een cv worden toegerekend aan de participanten naar rato van hun gerechtigdheid (artikel 2.14bis Wet IB 2001).5Zie ook HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1086, r.o. 4.2.3.
Dit toerekenen houdt echter niet in dat een commanditair vennoot, die participeert in een cv die een onderneming drijft, ook zelf een onderneming drijft.6HR 30 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2992. In het geval dat een fonds als participant een commanditair belang heeft in een ondernemende cv, leidt dit er dus niet automatisch toe dat het fonds zelf een onderneming drijft. Dit fonds kan daardoor voldoen aan de beleggingseis en kwalificeren als FGR.7Vergelijk kennisgroepstandpunt KG:011:2025:7, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Zie hiervoor onder 3.3.
Er zijn fondsen die geldleningen verstrekken aan ondernemingen, waarbij het niet gaat om geldleningen waarmee direct of indirect invloed wordt of kan worden uitgeoefend op het dagelijks beleid van die onderneming of om geldleningen die een winstdelend karakter hebben. De vraag is of het verstrekken van leningen door deze fondsen als beleggen kwalificeert zoals bedoeld in de definitie van fgr.
Of sprake is van beleggen wordt beoordeeld naar de relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. Het verstrekken van bovengenoemde leningen kwalificeert in ieder geval als beleggen zoals bedoeld in de definitie van het fgr, indien het fonds in de prospectus de volgende voorwaarden, of daarmee materieel bezien vergelijkbare voorwaarden, heeft opgenomen en ook feitelijk daar naar handelt:
Het beleggingsbeleid, het daarbij behorende risicokader en de specifieke risico’s die gelden voor het fonds zijn duidelijk omschreven.
Het fonds zal nooit meer dan:
10% van het fondsvermogen uitlenen aan één enkele onderneming8Alle lichamen waarmee de onderneming is verbonden in een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of een soortgelijke buitenlandse regeling, worden in dit kader gezien als één enkele onderneming.; of
15% van het fondsvermogen investeren in geldleningen met een kredietwaardigheid van B+ of lager.9Op basis van een methodologie die in lijn is met die van standaardbeoordelingen van kredietwaardigheid uitgevoerd door Moody’s, Fitch of S&P Global Ratings.
Deze limieten worden steeds getoetst op het moment van het verstrekken van de geldlening. Hierbij worden ook verwachtingen ten aanzien van andere transacties in acht genomen, bijvoorbeeld als een andere geldlening op korte termijn zal worden terugbetaald. Indien het fonds op basis van de AFM-risicometer (Risicometer Beleggen) een rating heeft van 4 of lager is voldaan aan limiet b onder 2. Deze limieten zijn de eerste twee jaren na oprichting (opstartfase) niet van toepassing.10Hierdoor heeft het fonds in de opstartfase de ruimte om een portefeuille op te bouwen, die aan de limieten voldoet.
Onder fondsvermogen in voor- en hierna bedoelde zin wordt verstaan: het door de deelgerechtigden aan het fonds ter beschikking gestelde eigen vermogen van het fonds.
Het fonds maakt beperkt gebruik van vreemd vermogen voor de financiering van de (te verstrekken) geldleningen van het fonds. Hiervan is sprake als het fonds voldoet aan de twintig percent financieringslimiet uit artikel 28, tweede lid, onderdeel b, Wet VPB, en het daarop gebaseerde beleid.
Het fonds verstrekt geen winstafhankelijke vergoeding of een andere vorm van (de facto) prestatie-afhankelijke beloning aan de beheerder en ook niet aan andere partijen die werkzaamheden voor rekening en risico van het fonds uitvoeren.
De jaarlijkse beheerskosten van het fonds bedragen maximaal 1% van het fondsvermogen. Voor deze 1% limiet worden niet meegerekend als beheerkosten (1) de eventuele rentelasten die het fonds verschuldigd is op haar vreemd vermogen, en (2) de jaarlijkse kosten waarvan het fonds doet blijken dat zij verband houden met het streven naar een meetbare11Het fonds heeft een methodologie op basis waarvan deze impact wordt beoordeeld en rapporteert daarover aan haar investeerders. positieve impact op ten minste één van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, de zogenoemde Sustainable Development Goals (SDG’s). Een verband tussen de beheerskosten en de SDG’s wordt aanwezig geacht voor zover het fonds de kosten niet had gemaakt als geen SDG-gerelateerde doelstelling zou zijn nagestreefd.
In het geval dat niet (meer) aan alle bovengenoemde fondsvoorwaarden is voldaan, betekent dit niet automatisch dat het verstrekken van de leningen niet (meer) kwalificeert als beleggen. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, onder meer aan de hand van de betreffende fondsvoorwaarden. Hiertoe kan vooroverleg plaatsvinden.12Zie Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat voor de overige activiteiten van het fonds afzonderlijk beoordeeld zal moeten worden of die als beleggen kwalificeren. Dit betekent dat als (een van die) overige activiteiten van het fonds kwalificeren als ondernemen, het fonds geen FGR is.
Artikel 3
Ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden
Onderdeel van Fondsenbesluit 2025· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 3 december 2025