Een belangrijke voorwaarde die met ingang van 2025 in de definitie van het FGR is opgenomen, is dat het fonds moet worden aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft. De definities hiervan volgen uit geïmplementeerde EU-richtlijnen. Zie in dit verband Richtlijn 2009/65/EG respectievelijk Richtlijn 2011/61/EU. Voor de beoordeling of een naar het recht van een EU-lidstaat opgerichte of aangegane rechtsvorm aan dit criterium voldoet, is de implementatie van deze richtlijnen in het recht van de betreffende lidstaat relevant.
Onderdeel 4.1 beschrijft de duiding van beleggingsinstelling in de zin van artikel 1:1 Wft. Hierbij wordt ingegaan op het onderscheid dat de Wft maakt tussen enerzijds maatschappijen (beleggingsmaatschappijen en maatschappijen voor collectieve beleggingen in effecten) en anderzijds fondsen (beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve beleggingen in effecten). Onderdeel 4.2. gaat over fondsen binnen een reeds bestaande groep. In onderdeel 4.3. wordt uitleg gegeven over de beoordeling van een fonds dat is gevestigd in Nederland en in onderdeel 4.4. wordt uitleg gegeven over de beoordeling van een beleggingsinstelling die is gevestigd in een andere EU-lidstaat dan Nederland.
Een beleggingsinstelling kan enerzijds een maatschappij (beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten) en anderzijds een fonds (beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten) zijn. Een maatschappij in de zin van artikel 1:1 Wft is altijd een rechtspersoon.
In de nieuwe definitie van het FGR worden alleen de beleggingsfondsen en de fondsen voor collectieve belegging in effecten als FGR aangemerkt. De reden hiervoor is dat (Nederlandse) beleggingsmaatschappijen en maatschappijen voor collectieve belegging in effecten rechtspersonen zijn en daardoor al eerder in de opsomming van de vennootschapsbelastingplichtige lichamen in de Wet VPB zijn opgenomen.
Dit houdt ook in dat de vereisten die in de Wft (en de hiervoor genoemde richtlijnen) worden gesteld aan beleggingsinstellingen en instellingen voor collectieve belegging in effecten, eveneens van toepassing zijn op beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten. Dit sluit ook aan bij de oorspronkelijke ratio van de vennootschapsbelastingplicht van het FGR, waardoor het beleggen via beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten dezelfde fiscale behandeling krijgt als het beleggen via een beleggingsinstelling met de rechtsvorm naamloze vennootschap of besloten vennootschap.13Kamerstukken II 2023/24, 36 423, nr. 3, p. 4 en p. 13–14.
Wanneer een fonds uitsluitend kapitaal ophaalt binnen een reeds bestaande groep familieleden, valt dit buiten de definitie van collectief beleggen en dus buiten de reikwijdte van de Wft. De Belastingdienst volgt hierbij het oordeel van de AFM.
De AFM beoordeelt via de aanmelding van de beheerder van een fonds dat in Nederland is gevestigd, of dat fonds voldoet aan de vereisten zoals vastgelegd in de Wft. Het is aan het fonds om aannemelijk te maken dat aan deze vereisten wordt voldaan en het fonds daarmee moet worden aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van de vergunning van de AFM (artikel 2:65 en 2:69b Wft).
In bepaalde gevallen kan de beheerder van een fonds zijn vrijgesteld van de vergunningplicht (artikel 1:13a, 1:13b en 2:66a Wft). In sommige situaties kan de belastingplichtige de registratie bij de AFM, onder het zogenoemde registratieregime14Zie https://www.afm.nl/nl-nl/sector/beleggingsinstellingen/aifm/registratieregime., overleggen.
Voor een fonds dat binnen de EU (buiten Nederland) is gevestigd, geldt dat vergelijkbare informatie van de toezichthouder in het desbetreffende land beschikbaar moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld een registratie of vergunning zijn die vergelijkbaar is met die van de AFM.
Wanneer een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU-lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG niet wordt aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten en een rechtsvorm bezit die niet vergelijkbaar is met een nv of bv, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid, Wet Vpb aan te merken als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft.15Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:211:2024:12, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. In dit standpunt is geen aandacht besteed aan de mogelijke vergelijkbaarheid met andere in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen rechtspersonen, in een voorkomend geval wordt dit onderzocht.
Artikel 4
Mits dit fonds wordt aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft
Onderdeel van Fondsenbesluit 2025· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 3 december 2025