Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Activa, kosten en opbrengsten

Onderdeel van Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmteleveranciers 2024· Contracten, schade en aansprakelijkheid

Deze tekst geldt sinds 27 juni 2025

Vaste activa dienen te worden gewaardeerd op basis van historische kosten vanaf het moment dat aan de criteria voor activering is voldaan. Onder historische kosten wordt de prijsgrondslag kostprijs, te weten de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verstaan. De verkrijgingsprijs van een actief is de prijs waartegen het is verworven. De verkrijgingsprijs bestaat uit de aankoopprijs inclusief alle direct toe te rekenen kosten om het actief voor gebruik geschikt te maken. Direct toe te rekenen kosten zijn bv. invoerrechten, leveringskosten en plaatsingskosten. Boeten of rente wegens te late levering maken geen onderdeel uit van de verkrijgingsprijs. Het begrip vervaardigingsprijs is van toepassing op intern vervaardigde activa. De elementen die deel uitmaken van de vervaardigingsprijs zijn conform de elementen die in International Accounting Standard 16 (IAS 16) onder de vervaardigingsprijs vallen. Deze RAR onderscheiden de elementen in twee categorieën: directe kosten; rente. Directe kosten8Directe kosten verwijst in dit onderdeel naar IAS16, niet naar de definitie van directe kosten in deze RAR. Kosten worden als direct aangemerkt wanneer een aantoonbare causaliteit aanwezig is tussen de rechtstreeks toegerekende kosten en het vast actief. De volgende categorieën worden onderscheiden: materialen; interne uren; en diensten derden. De kosten van materialen worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten exclusief een interne winstopslag. De kosten van interne uren als onderdeel van de vervaardigingsprijs zijn gebaseerd op een intern uurtarief exclusief een winstopslag. Het intern uurtarief bestaat uitsluitend uit de directe personeelslasten, zijnde brutosalarissen, werkgeverslasten en overige directe personeelskosten. De kosten van diensten van derden worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten. Rente Naast de directe kosten kan ook de rente op schulden worden opgenomen in de vervaardigingsprijs voor zover de schulden betrekking hebben het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend. Het opnemen van rente op schulden in de vervaardigingsprijs is slechts aanvaardbaar voor kwalificerende activa, indien de aan die actiefpost verbonden toekomstige voordelen naar verwachting voldoende groot zijn om de boekwaarde van die post inclusief toegerekende rente te dekken en deze economische voordelen voldoende betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Na de eerste verwerking tegen historische kosten, wordt vaste activa gewaardeerd tegen de kostprijs verminderd met cumulatieve afschrijvingen en cumulatieve bijzondere waardeverminderingen. Afschrijvingen worden berekend met behulp van de lineaire afschrijvingsmethode over de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Afschrijvingen van het actief vinden plaats zolang de restwaarde van het actief niet bereikt is en het actief niet buiten gebruik is gesteld. De afschrijvingskosten dienen stelselmatig aan de gebruiksduur van het actief te worden toegerekend. Het af te schrijven bedrag wordt bepaald na aftrek van de restwaarde van het actief. De gebruiksduur is niet gerelateerd aan (een deel van) de concessieperiode, tenzij zeker is dat het actief aan het einde van de concessieperiode geen restwaarde meer heeft én buiten gebruik gesteld moet worden (een volgende concessiehouder kan het actief dus niet overnemen). Indien de warmteleverancier in een bepaald verslagjaar van mening is dat mogelijk sprake is van een bijzondere waardevermindering (impairment), houdt hij bij welke omstandigheden hebben geleid tot de bijzondere waardevermindering en op welke wijze de bijzondere waardevermindering is bepaald. De warmteleverancier richt zijn (financiële) administratie zodanig in dat hij – indien de ACM daar om verzoekt – een overzicht kan genereren waarin de bijzondere waardeverminderingen uit enig boekjaar worden uitgesplitst per actief met opgaaf van redenen. Een vast actief dient niet langer in de balans te worden opgenomen en aangemerkt te worden als desinvestering: na vervreemding; nadat het teniet is gedaan; of bij buitengebruikstelling. Lasten of baten die op enigerlei wijze samenhangen met desinvesteringen (bijvoorbeeld verkoopopbrengsten) dienen in de winst- en verliesrekening verwerkt te worden in het prijspeil van het jaar waar de rendementsdata betrekking op hebben. Vanaf boekjaar 2023 richt de warmteleverancier zijn (financiële) administratie zodanig in dat hij – indien ACM daar om verzoekt – een overzicht kan genereren waarin de desinvesteringen uit enig boekjaar inzichtelijk worden gemaakt. Voor zover bij warmteleverancier sprake is van leases, dient de warmteleverancier deze in de rendementsdata op te nemen op dezelfde wijze waarop hij dat in zijn eigen administratie verwerkt. Bestedingen na de ingebruikname van een gekocht of zelf vervaardigd actief (bijvoorbeeld de kosten voor onderhoud) dienen in principe als operationele kosten te worden verantwoord. Activering vindt slechts plaats indien: sprake is van verlenging van een levensduur met minimaal vijf jaren; het waarschijnlijk is dat de bestedingen zullen leiden tot een toename van de verwachte toekomstige economische voordelen; en de vaststelling van de bestedingen en de toerekening aan het actief op een betrouwbare wijze kunnen geschieden. De warmteleverancier onderscheidt de volgende activacategorieën: warmtebron en opslag; warmtenet; aansluiting; inpandig leidingstelsel; afleverset/afleverstation; warmtemeter. Onder materiële vaste activa warmtebron en opslag vallen: Installaties waar thermische energie vrijkomt of thermische energie geconverteerd wordt (bijvoorbeeld warmtepompen, e-boilers, back-up ketels); Installaties waar thermische energie wordt opgeslagen, indien deze installatie onderdeel is van, of verbonden is aan een installatie bedoeld onder a) (bijvoorbeeld opslag in tanks, putten of hoge-temperatuur aquifers, warmtebatterij, e-boilers en WKO’s); activa die dienen voor het instandhouden van de warmtebron of de opslag; gebouwen en andere vaste activa behorende bij warmtebron en opslag; en technische ruimtes en de activa in de technische ruimtes. Onder materiële vaste activa warmtenet vallen activa behorende tot of die worden gebruikt voor: transportnet; warmte overdrachtsstation (WOS); primair distributienet; onderstations (OS) / regelkamers; secundair distributienet; boosters; dataverwerking, alsmede activa die worden gebruikt voor allocatie, reconciliatie en validatie; balanshandhaving en het monitoren en bijsturen van kwaliteitsparameters van het systeemwater; kwaliteitsbewaking van de warmte; en gebouwen en magazijnen behorende bij het warmtenet. Vaste activa voor de aansluiting zijn alle vaste activa die een directe relatie hebben met de aansluiting van de afnemer. Onder activa aansluiting vallen in ieder geval: activa waaruit de aansluiting bestaat, waaronder aansluitleiding; en activa die dienen ter instandhouding van de aansluiting. Vaste activa voor het inpandig leidingstelsel zijn alle vaste activa die een directe relatie hebben met een inpandig leidingstelsel. Onder activa inpandig leidingstelsel vallen in ieder geval: activa waaruit het inpandig leidingstelsel bestaat; en activa die dienen ter instandhouding van het inpandig leidingstelsel. Onder activa afleverset/afleverstation vallen in ieder geval: activa waaruit de afleverset/afleverstation bestaat; en activa die dienen ter instandhouding van de afleverset/afleverstation. Activa voor het meten van aan afnemers geleverde warmte en factureren van de hoeveelheid geleverde warmte. De warmteleverancier rubriceert investeringen in immateriële vaste activa als volgt: kosten van onderzoek en ontwikkeling (voor zover niet geactiveerd als onderdeel van materiële vaste activa); software; en overige immateriële vaste activa. Onder software vallen gekochte en zelfontwikkelde programmatuur. Software die niet separeerbaar is, bijvoorbeeld omdat deze software integraal onderdeel uitmaakt van een machine, valt onder de materiële vaste activa. Niet alle uitgaven ter verkrijging, ontwikkeling, onderhoud of verbetering van immateriële vaste activa voldoen aan de criteria van activering. Indien de uitgaven niet voldoen aan de activeringscriteria dan dienen deze kosten te worden verantwoord als operationele kosten. De volgende uitgaven mogen in geen geval geactiveerd worden: Uitgaven voor trainingsactiviteiten; Uitgaven voor reorganisatie van (een deel van) de onderneming; en Jaarlijkse licentiekosten. Goodwill9Dit geldt zowel voor zelf vervaardigde als van derden verkregen goodwill. wordt in de rendementsdata niet geactiveerd. Goodwill is namelijk per definitie geen actief dat wordt aangewend voor uitvoering van de wettelijke taken van een warmteleverancier. Al dan niet intern ontwikkelde merken, logo’s, klantenbestanden en gelijksoortige items dienen niet te worden geactiveerd. Bij een fusie of overname worden immateriële vaste activa gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs op het moment van de overname. Ontstane goodwill bij een overname, of intern geproduceerde goodwill, mag in geen geval worden geactiveerd. In de toelichting bij de rendementsdata wordt de inhoud van de opgenomen immateriële vaste activa afdoende beschreven. Hierbij moet in ieder geval ingegaan worden op welke wijze wordt voldaan aan de activeringscriteria. De totale kosten van een warmteleverancier bestaan uit: afschrijvingen; inkoopkosten energie; onderhoudskosten; personeelskosten; en overige operationele kosten. Afschrijvingen worden berekend conform randnummer 38. Vrijval van de EAB, de KDB en gepassiveerde subsidies wordt afzonderlijk opgegeven en niet gesaldeerd met afschrijvingen. De warmteleverancier geeft de kosten bruto op, in die zin dat deze kosten en eventuele overige opbrengsten niet gesaldeerd worden (zie ook randnummer 74). De overige operationele kosten worden berekend zonder de kosten van intern geproduceerde activa (in aanbouw), waaronder geactiveerde onderhoudskosten. De warmteleverancier specificeert het verloop van de voorzieningen in de toelichting. De opbrengsten dienen in de volgende posten te worden gerubriceerd: opbrengsten variabele leveringstarieven; opbrengsten vaste leveringstarieven; opbrengsten huurtarieven afleversets; opbrengsten warmtemeters; opbrengsten afsluitbijdrage; opbrengsten subsidies; en overige opbrengsten. De volumes zijn samengesteld uit de volgende componenten: de gefactureerde volumes voor het onderhavige boekjaar en; de aanvullende raming voor het onderhavige boekjaar. De gefactureerde capaciteit/volumes die zijn toegerekend aan het onderhavige boekjaar en de aanvullende raming van het volume voor het onderhavige boekjaar komen overeen met de volumes die zijn gehanteerd in de jaarrekening van de warmteleverancier van het onderhavige boekjaar. Onder ‘opbrengsten variabele leveringstarieven’ vallen: opbrengsten uit variabele leveringstarieven per gigajoule gebaseerd op gefactureerde volumes en aanvullende raming van de volumes; correcties voor afloopverschillen, te weten de correcties op raming van opbrengsten. Onder ‘opbrengsten vaste leveringstarieven’ vallen: opbrengsten uit vaste leveringstarieven voor het transport, de levering en de aansluiting van warmte correcties voor afloopverschillen, te weten de correcties op raming van opbrengsten. Onder ‘opbrengsten huurtarieven afleversets’ vallen: opbrengsten uit periodieke bijdragen tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het onderhavige boekjaar vastgestelde maximum huurtarieven voor afleversets. Onder ‘opbrengsten warmtemeters’ vallen: opbrengsten uit periodieke bijdragen tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het onderhavige boekjaar vastgestelde maximum meettarief. Onder ‘opbrengsten afsluitbijdrage’ vallen: opbrengsten uit afsluitbijdragen tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het onderhavige boekjaar vastgestelde maximum tarieven voor afsluitingen. Onder ‘opbrengsten subsidies’ vallen: subsidies, voor zover toerekenbaar aan het verslagjaar, met uitzondering van vrijval gepassiveerde subsidies. Onder ‘overige opbrengsten’ vallen: overige opbrengsten die niet door de ACM worden gereguleerd maar wel verband houden met de activiteiten van de warmteleverancier (bijv. verkoop elektriciteit of warmte). In de rendementsdata dienen eventuele overige opbrengsten bruto te worden opgegeven en dienen dus niet op voorhand te worden gesaldeerd met de operationele kosten (zie ook randnummer 62).

Rechtspraak bij dit artikel