**1.** Het Instituut kan bij de behandeling van aanvragen om vergoeding van fysieke schade aan een gebouw aan aanvrager naast de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de wet bij separaat besluit een tegemoetkoming toekennen indien:
het betreffende gebouw een woning is;
zich op het adres van het gebouw als gevolg van aardbevingen uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, in de periode tot 1 januari 2026 ten minste viermaal een trillingssnelheid heeft voorgedaan van ten minste 5 mm/s, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%;
aanvrager instemt met vergoeding van de schade in de vorm van herstel aannemer Instituut als bedoeld in artikel 2.11 van de werkwijze, of bij een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze, in de vorm van herstel in natura;
geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, onderdeel a, b, of c, van de Werkwijze, met uitzondering van een tegemoetkoming bestaande uit sloop en nieuwbouw van het gebouw;
de aanvrager maximaal eenmaal eerder een tegemoetkoming is toegekend, of, indien de aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers tweemaal eerder een tegemoetkoming is toegekend; en
is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde en vierde lid, ook buiten de gevallen dat het Instituut een aanvrager heeft benaderd voor het indienen van een aanvraag.
**2.** Het Instituut kan geheel of gedeeltelijk afwijken van het eerste lid, onderdeel c, indien de schade zoals opgenomen in het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, geheel of gedeeltelijk is hersteld nadat de schade is opgenomen, maar voordat het Instituut een besluit heeft genomen op de aanvraag om vergoeding van fysieke schade.
**3.** Een tegemoetkoming wordt uitsluitend toegekend op aanvraag. Hiertoe benadert het Instituut een eigenaar van een woning voor het doen van een aanvraag voor een tegemoetkoming nadat het Instituut aan de hand van het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, heeft vastgesteld dat:
er sprake is van nieuwe schade, met inbegrip van schade die na eerder herstel opnieuw is ontstaan, of verergerde schade aan het gebouw;
de schade minimaal schadetype D3 betreft zoals omschreven in het technisch kader, of, indien de schade eerder is hersteld en gedeeltelijk is teruggekomen, het aannemelijk is dat bij eerdere schadeopname in opdracht van de NAM, het CVW de TCMG of het Instituut schade van minimaal schadetype D3 aan het gebouw is vastgesteld, die vermoedelijk mede is veroorzaakt door eenzelfde gebrek aan de constructie van het gebouw dat kans geeft op herhaalde schade door aardbevingen of mijnbouwactiviteiten aan dat gebouw; en
aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
voor het betreffende gebouw is in totaal een bedrag gelijk aan of groter dan € 5.000 inclusief btw aan schadevergoeding voor het herstel van schades, die minimaal schadetype D3 betreffen als bedoeld in onderdeel b, toegekend door de NAM, het CVW de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut of wordt toegekend door het Instituut, waarbij vergoedingen voor constructieve maatregelen, bijkomende kosten, de overlastvergoeding en de vergoeding voor wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten;
de schade, bedoeld in onderdelen a en b, bevindt zich in de buitengevel; of
er is sprake van samenloop.
**4.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend namens alle rechthebbenden van het gebouw en bevat ten minste:
een verklaring dat de aanvrager, bij de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze instemt met een vaste eenmalige en finale vergoeding ter hoogte van € 2.000,– voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast die zijn veroorzaakt door de fysieke schade, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdeel d, en het derde lid, onderdelen b, c en d alsmede waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3 en immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4 van de werkwijze; en
een verklaring de-minimissteun indien de tegemoetkoming toekomt of mede toekomt aan een onderneming in de zin van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
**5.** Indien dat voor het herstel van het gebrek aan de constructie van de woning noodzakelijk is, kan de aanvraag mede betrekking hebben op een gebouw of deel van een gebouw van dezelfde eigenaar dat constructief met de woning verbonden is, maar geen woning betreft.
Artikel 2
Ingangsvoorwaarden tegemoetkoming Duurzaam herstel
Onderdeel van Beleidsregel duurzaam herstel 2026· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026