Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Op te leggen of te eisen sancties

Onderdeel van Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

De volgende straffen en maatregelen kunnen op grond van artikel 257a, tweede lid, Sv door de officier van justitie worden opgelegd: een taakstraf van ten hoogste 180 uren; een geldboete; onttrekking aan het verkeer; een schadevergoedingsmaatregel; een ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Daarnaast kunnen op grond van artikel 257a, derde lid, Sv aan de verdachte aanwijzingen worden gegeven die onder meer kunnen inhouden het doen van afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Nog niet alle sanctiemodaliteiten zijn in de praktijk onder de strafbeschikking gebracht. Voor de laatste stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de sanctiemodaliteiten wordt verwezen naar de Aanwijzing OM-strafbeschikking. In deze richtlijn zijn bepaalde sancties afhankelijk gesteld van de zwaarte van de overtreding. Verder zijn bijvoorbeeld voor de overtreding van de voorschriften ten aanzien van de remvertraging van motorvoertuigen tarieven vastgesteld naar de mate waarin deze voorschriften zijn overschreden. Bij de feitcodes die misdrijven betreffen is bij een enkel feit geen sanctie opgenomen. Dit betreft een feit (OM-feit) waarvoor de specifieke omstandigheden van het misdrijf maatwerk vereisen. Daarnaast is onder de misdrijven een aantal feitcodes opgenomen die betrekking hebben op de WWM. Hier zijn wel vaste boetebedragen voor opgenomen. De officier van justitie mag, binnen de wettelijke strafmaxima, afwijken van de hoogte van de sanctie van de OM-strafbeschikking en/of eis ter zitting. Dat kan zowel naar beneden als naar boven, al naar gelang de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. De officier van justitie kan een verdachte direct dagvaarden indien er twee of meer openstaande zaken op naam van verdachte staan geregistreerd waarin een strafbeschikking kan worden opgelegd en/of verdachte twee of meer niet onherroepelijke strafbeschikkingen op zijn naam heeft staan. Uitgangspunt in die gevallen is dat voor een nieuw feit geen politie- of OM-strafbeschikking wordt opgelegd. NB In zaken waarin een strafbeschikking is uitgevaardigd doch waartegen verdachte verzet heeft ingesteld, is de officier van justitie bij zijn eis op zitting niet gebonden aan de geldboete die bij de initiële strafbeschikking is opgelegd. De officier kan bijvoorbeeld een taakstraf opleggen wanneer verdachte aanvoert niet in staat te zijn om een geldboete te voldoen. Wanneer verdachte geen grieven formuleert in het verzetschrift en dat ook op zitting niet doet, kan dat aanleiding zijn een hogere straf te vorderen. Verder geldt dat in het geval al een gedeeltelijke betaling heeft plaatsgevonden deze in de uitvoering door het CJIB in mindering wordt gebracht bij de executie van de door de rechter opgelegde straf. De officier dient het reeds voldane bedrag dus niet te verdisconteren in de eis. Aan een minderjarige die wordt verdacht van het plegen van een feitgecodeerd feit kan in beginsel een strafbeschikking worden uitgevaardigd. Parallel aan hetgeen in de Wahv is vastgelegd, geldt dat ten aanzien van minderjarigen van 12 tot 16 jaar de vastgestelde tarieven worden gehalveerd met een afronding op hele euro’s naar boven. Voor minderjarigen van 16 tot 18 jaar gelden in beginsel dezelfde tarieven als voor meerderjarigen. Artikel 491 lid 2 Sv bepaalt dat bij het uitvaardigen van een strafbeschikking aan een minderjarige ter zake van een misdrijf – ingeval van een geldboete van meer dan € 115,– een raadsman moet worden toegevoegd. Voor deze zaken wordt geen politiestrafbeschikking of OM-strafbeschikking verzonden. Deze zaken worden ter beoordeling aan het (lokale) OM overgedragen. Bij cumulatie van overtredingen in één dossier of bij gezamenlijke behandeling van meerdere zaken verdient het aanbeveling bij de vaststelling van de sancties rekening te houden met de draagkracht van de verdachte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel