Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10 › § 10.3

Artikel 10.5

opdragen maatregelen aan een derde

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan het warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen indien: de opdracht noodzakelijk is teneinde de leveringszekerheid zeker te stellen, en het niet mogelijk is de leveringszekerheid voldoende zeker te stellen door het warmtebedrijf een opdracht op grond van artikel 2.14, derde lid, op te leggen. 2. De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan de warmtetransportbeheerder opdragen maatregelen te treffen indien: de opdracht noodzakelijk is teneinde de betrouwbaarheid van het warmtetransport zeker te stellen, en het niet mogelijk is de betrouwbaarheid voldoende zeker te stellen door de warmtetransportbeheerder een opdracht op grond van artikel 5.7, derde lid, op te leggen. 3. Eenieder volgt de opdracht op waarbij de Autoriteit Consument en Markt een redelijke vergoeding vaststelt voor de uitvoering van de opdracht. De kosten van de redelijke vergoeding komen voor rekening van: het warmtebedrijf indien het een opdracht als bedoeld in het eerste lid betreft, tenzij dit warmtebedrijf in staat van faillissement verkeert; de warmtetransportbeheerder indien het een opdracht als bedoeld in het tweede lid betreft. 4. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbinden. 5. Indien de Autoriteit Consument en Markt een ander warmtebedrijf dan het warmtebedrijf opdraagt als noodwarmtebedrijf de levering van warmte aan verbruikers van het warmtebedrijf over te nemen, is eenieder verplicht medewerking te verlenen aan dit noodwarmtebedrijf, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 6. Indien de Autoriteit Consument en Markt een andere warmtetransportbeheerder dan de warmtetransportbeheerder opdraagt als noodwarmtetransportbeheerder het warmtetransport over te nemen, is eenieder verplicht medewerking te verlenen aan deze noodwarmtetransportbeheerder, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 7. De opdracht aan het noodwarmtebedrijf, bedoeld in het vijfde lid, geldt voor ten hoogste een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, is gemeld aan het college overeenkomstig artikel 2.9, eerste lid, dan wel artikel 3.4, eerste lid. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: de redelijke vergoeding, bedoeld in het derde lid; de verplichtingen van het noodwarmtebedrijf die een opdracht op grond van het vijfde lid heeft verkregen; de verplichtingen van de noodwarmtetransportbeheerder die een opdracht op grond van het zesde lid heeft verkregen; de procedure en de vereisten die gelden in geval op grond van het vijfde lid een noodwarmtebedrijf wordt opgedragen de levering van warmte over te nemen of op grond van het zesde lid een noodwarmtetransportbeheerder wordt opgedragen het transport van warmte over te nemen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel