Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 13 › § 13.2 › § 13.2.1

Artikel 13.5

tijdelijke aanwijzing van een niet integraal warmtebedrijf

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in een warmtekavel niet een onderneming aanwezig is die zich bezig houdt met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan maar alleen een warmtenetbedrijf en een warmteleveringsbedrijf, verleent het college het warmteleveringsbedrijf de aanwijzing op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3. 2. Het warmteleveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf, bedoeld in het eerste lid, richten binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel een warmtebedrijf op. 3. Binnen 6 maanden na de aanwijzing op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3 sluiten het aangewezen warmtebedrijf en het warmtenetbedrijf een overeenkomst waarin is vastgelegd dat het warmtenetbedrijf zodanig handelt dat het aangewezen warmtebedrijf de taken, bedoeld in artikel 2.13, op een doelmatige wijze kan uitvoeren en kan voldoen aan de verplichtingen die op het aangewezen warmtebedrijf op grond van deze wet rusten. 4. Indien het warmtenetbedrijf en warmteleveringsbedrijf het warmtebedrijf, bedoeld in het tweede lid, hebben opgericht: komt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te vervallen en verleent het college een aanwijzing aan het warmtebedrijf, bedoeld in het tweede lid, waarbij geldt dat de duur van de aanwijzing gelijk is aan de resterende duur van de aanwijzing die komt te vervallen; is het derde lid niet meer van toepassing. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het derde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel