Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.4

Artikel 2.13

taken

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het aangewezen warmtebedrijf heeft uitsluitend tot taak om binnen een gebied binnen de warmtekavel waarvoor een uitgewerkt kavelplan is opgesteld waarmee het college op grond van artikel 2.16, derde lid, heeft ingestemd: een collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden; warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aan degene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen de warmtekavel aangelegd collectieve warmtevoorziening, waarbij warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen worden; zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte met inachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening; warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparante en redelijke voorwaarden; de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen; de veiligheid van de collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze te waarborgen; de duurzaamheid van de collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze te waarborgen; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening maar alsnog heeft verzocht om een leveringsaansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar na de aanleg of uitbreiding van de collectieve warmtevoorziening heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binnen een redelijke termijn af te sluiten van de collectieve warmtevoorziening; het verbruik van warmte van een op de collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruiker te meten; ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmtekostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast; een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiënt gebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereenkomst nodig heeft; ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een afleverset voor warmte indien: een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen; een nieuwe afleverset voor warmte dient te wordt geïnstalleerd in een nieuw of bestaand gebouw, tenzij dit voor de levering van warmte aan verbruikers niet noodzakelijk is; zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een verbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler en afleverset voor warmte; het warmtenet als geheel in balans te houden en te waarborgen dat onbalans tussen warmte of koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van de collectieve warmtevoorziening, op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd of voorkomen. 2. Indien een gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heeft het aangewezen warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden. 3. Het aangewezen warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenet waarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar een gebied in de warmtekavel waarvoor het uitgewerkt kavelplan, bedoeld in het eerste lid, is opgesteld op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is van overeenkomstige toepassing. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in het derde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf of indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 1.2, derde lid. 5. Een aangewezen warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, werkzaamheden laten uitvoeren door een derde. Het aangewezen warmtebedrijf behoudt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden, met uitzondering van: het aangaan van leveringsovereenkomsten, aansluitovereenkomsten als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, en overige overeenkomsten over de levering van warmte aan derden; het aangaan van een overeenkomt met betrekking tot de inkoop van warmte. 6. De overeenkomst waarin het aangewezen warmtebedrijf en de derde, bedoeld in het vijfde lid, zijn overeengekomen dat de derde werkzaamheden uitvoert voor het aangewezen warmtebedrijf wordt niet langer dan voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn aangegaan. 7. Het is verboden in een overeenkomst de voorwaarde te stellen dat een investering in een aangewezen warmtebedrijf afhankelijk is van of het aangewezen warmtebedrijf de werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid, laat verrichten door een derde. 8. Het is een aangewezen warmtebedrijf niet toegestaan in een warmtekavel een taak als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, te verrichten als daar geen uitgewerkt kavelplan aan ten grondslag ligt waarmee het college op grond van artikel 2.16, derde lid, heeft ingestemd. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, over de werkzaamheden en de uitvoering daarvan, bedoeld in het vijfde lid, en de overeenkomst, bedoeld in het zesde en zevende lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel