Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.5 › § 2.5.1

Artikel 2.14

meldplicht bij niet nakomen taak

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt en het college dat het warmtebedrijf een aanwijzing heeft verleend, onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat het aangewezen warmtebedrijf een taak als bedoeld in artikel 2.13 niet langer kan uitvoeren. 2. Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt en het college op korte termijn na de melding: welke maatregelen het warmtebedrijf heeft genomen om de taak, bedoeld in artikel 2.13, wederom uit te kunnen voeren of te voorkomen dat het aangewezen warmtebedrijf de taak niet kan uitvoeren; wanneer in voorkomend geval het warmtebedrijf de taak, bedoeld in artikel 2.13, weer uit zal kunnen voeren. 3. De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen indien redelijkerwijs kan worden voorzien dat het aangewezen warmtebedrijf een taak als bedoeld in artikel 2.13 niet langer kan uitvoeren. 4. Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op grond van het derde lid op. 5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden. 6. Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of de opdracht leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan. 7. De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat het aangewezen warmtebedrijf: niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.13 uit te voeren; in strijd handelt met het vierde lid. 8. De Autoriteit Consument en Markt kan aan een aangewezen warmtebedrijf dat in staat van faillissement verkeert voor ten hoogste een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het zevende lid, is gemeld aan het college op grond van artikel 2.9, eerste lid, op aanvraag van het aangewezen warmtebedrijf een vergoeding toekennen ten behoeve van het in standhouden van het warmtenet waarover het aangewezen warmtebedrijf beschikt en ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdelen b en e. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de aard, omvang en wijze van toekenning van de vergoeding, bedoeld in het achtste lid; de bij de hoogte van de vergoeding in aanmerking te nemen omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel