Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.2 › § 2.2.2

Artikel 2.7

aanwijzingsprocedure warmtebedrijf tijdens de ingroeiperiode

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het college kan op aanvraag van een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ander warmtebedrijf aanwijzen dat de exclusieve bevoegdheid heeft binnen een warmtekavel de taken, bedoeld in artikel 2.13, uit te voeren. 2. De exclusieve bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op: het gebied waar het transport en levering van warmte als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, plaatsvindt; het gebied waarvoor de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt en waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, betrekking heeft; het gebied waarop de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.4, zesde lid, betrekking heeft; het gebied waar de levering van warmte en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, en artikel 4.3, vierde lid, plaatsvindt; het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, betrekking heeft. 3. Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid indient, dient het warmtebedrijf een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf: voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel; voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel uit te voeren. 4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5. Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid overlegt het warmtebedrijf in ieder geval: het besluit, bedoeld in het derde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b; een globaal kavelplan waarin een beschrijving op hoofdlijnen is gegeven van de onderdelen van een uitgewerkt kavelplan opgenomen in artikel 2.16, tweede lid. 6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien: het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn; het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. 7. Indien er meerdere aanvragen zijn ingediend rangschikt het college de aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naarmate: aannemelijker is dat de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, opgenomen normen bereikt zullen worden; aannemelijker is dat een doelmatige en kosteneffectieve aanleg en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening beter wordt geborgd; aannemelijker is dat de leveringszekerheid beter wordt verzekerd; aannemelijker is dat het warmtebedrijf de toekomstige verbruikers beter zal betrekken bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening; aannemelijker is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening beter uitvoerbaar zijn; aannemelijker is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf beter uitvoerbaar is. 8. Het college kan een adviescommissie instellen en advies inwinnen van deze adviescommissie. 9. Het college kan aan de rangschikkingsgronden, bedoeld in het zevende lid, een weging toekennen waarbij geldt dat elke grond voor minimaal 5% en maximaal 50% meegewogen wordt. 10. Het college wijst het warmtebedrijf aan dat het hoogste is gerangschikt. 11. Het college kan voorschriften en beperkingen aan een aanwijzing verbinden. 12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college het besluit tot aanwijzing neemt; de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; de gronden, genoemd in het derde lid; het globaal kavelplan; de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid. 13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de rangschikkingsgronden, genoemd in het zevende lid; de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en elfde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel