Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.3

Artikel 2.8

wijziging aanwijzing

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing geldt voor een groter warmtekavel indien: de Autoriteit Consument en Markt in het besluit, bedoeld in het tweede lid, heeft vastgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b; het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds een redelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, of een voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kan behalen voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijk rendement; dit niet leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor verbruikers in de warmtekavel die vergroot wordt. 2. Alvorens het college een aanwijzing wijzigt op grond van het eerste lid stelt de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van het college bij besluit vast of het aangewezen warmtebedrijf: beschikt over voldoende organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende vergrote warmtekavel; voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende vergrote warmtekavel uit te voeren. 3. Het aangewezen warmtebedrijf verstrekt de Autoriteit Consument en Markt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het nemen van het besluit, bedoeld in het tweede lid. 4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het tweede lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing geldt voor een kleiner warmtekavel indien: het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds een redelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, of een voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kan behalen, voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijk rendement; het aangewezen warmtebedrijf met de wijziging van de aanwijzing heeft ingestemd. 6. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing ook geldt voor een ander warmtekavel indien voor dit andere warmtekavel hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen. 7. Indien het college de aanwijzing wijzigt, kan het college de aan de aanwijzing verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen waarbij in ieder geval geldt dat: de duur van de aanwijzing na wijziging op grond van het eerste lid gelijk is aan de duur van de aanwijzing die gewijzigd wordt; de duur van de aanwijzing, bedoeld in het zesde lid, als volgt wordt berekend: allereerst wordt de datum bepaald van de minst recente aansluitovereenkomst van de laatste 10% van de leveringsaansluitingen of voorziene leveringsaansluitingen waarvoor door het aangewezen warmtebedrijf voor de datum van de wijziging van de aanwijzing een aansluitovereenkomst is gesloten in het desbetreffende warmtekavel; vervolgens wordt het verschil berekend tussen de datum van de wijziging van de aanwijzing en de datum berekend op grond van onderdeel 1°; de duur van de aanwijzing, bedoeld in de aanhef, bedraagt 30 jaar verminderd met de duur berekend op grond van onderdeel b met een minimum van 14 jaar. 8. Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, onder 1°, wordt een overeenkomst verstaan die: een aangewezen warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in de overeenkomst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen vijf jaar na wijziging van de aanwijzing op grond van het zesde lid aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening; bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluiting van deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmtevoorziening bevat, en waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmte aanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derden afhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde. 9. Indien een leveringsaansluiting of een voorziene leveringsaansluiting als bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, onder 1°, een centrale leveringsaansluiting is dan wordt elke zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die warmte geleverd krijgt door middel van die centrale leveringsaansluiting, aangemerkt als één leveringsaansluiting. 10. Het college zendt de wijziging van de aanwijzing aan gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de warmtekavel ligt. 11. Het college kan voorschriften en beperkingen aan de wijziging van een aanwijzing, bedoeld in het eerste, vijfde en zesde lid, verbinden. 12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de door het aangewezen warmtebedrijf te verstrekken gegevens en bescheiden, bedoeld in het derde lid, en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; de gronden, genoemd in het eerste, tweede, vijfde en zesde lid. 13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en elfde lid; de toepassing van het zevende en negende lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel