Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.3

Artikel 2.9

intrekken aanwijzing

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dat een besluit als bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, of 2.21, vijfde lid, is genomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is de aanwijzing in te trekken omdat het aangewezen warmtebedrijf: niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.13 uit te voeren met uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel g; in strijd handelt met artikel 2.14, vierde lid; vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm, bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm. 2. Het college trekt een aanwijzing in indien: het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen; deze aanwijzing betrekking heeft op een warmtekavel dat op grond van artikel 2.8, zesde lid, is toegevoegd aan een ander warmtekavel. 3. Het college kan een aanwijzing intrekken indien het aangewezen warmtebedrijf: de aan de aanwijzing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt; in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; de verplichting op grond van artikel 2.16, eerste lid, niet nakomt; hierom verzoekt. 4. Het aangewezen warmtebedrijf stelt de Autoriteit Consument en Markt zo spoedig mogelijk op de hoogte van het verzoek, bedoeld in het derde lid, onderdeel d. 5. De aanwijzing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, niet ingetrokken voordat aan een ander warmtebedrijf een aanwijzing voor het desbetreffende warmtekavel is verleend: tenzij het college op basis van het plan, bedoeld in het zesde lid, heeft vastgesteld dat een doelmatige en kosteneffectieve exploitatie van een collectieve warmtevoorziening binnen de warmtekavel niet meer kan worden geborgd en de verbruikers binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na publicatie van dat plan de gelegenheid hebben gehad over te gaan naar een alternatieve warmtevoorziening; met dien verstande dat de aanwijzing in alle gevallen wordt ingetrokken uiterlijk drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, is gemeld aan het college op grond van het eerste lid. 6. Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn geen ander warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen voor het desbetreffende warmtekavel stelt het college een plan op waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikers van het aangewezen warmtebedrijf kan worden verzekerd. 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot: de gronden, genoemd in het tweede en derde lid; de procedure en voorwaarden die gelden als een aanwijzing wordt ingetrokken. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot: de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijf aanwijst; de inhoud van het plan, bedoeld in het zesde lid, en de termijn waarbinnen het college het plan moet hebben opgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel