Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.1

Artikel 3.1

meldplicht en vrijstelling

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het warmtebedrijf meldt het college en de Autoriteit Consument en Markt het voornemen om warmte te leveren door middel van een klein collectief warmtesysteem in een gebied dat buiten een warmtekavel ligt. 2. De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding mede of het warmtebedrijf een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moet indienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf: voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de melding betrekking heeft; voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de melding betrekking heeft, uit te voeren. 3. Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het tweede lid het warmtebedrijf heeft gemeld dat een aanvraag om een besluit moet worden ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt aan dit besluit voorschriften en beperkingen verbinden. 4. Het warmtebedrijf dat warmte levert met een klein collectief warmtesysteem als bedoeld in het eerste lid, is voor 30 jaar vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, indien: het warmtebedrijf beschikt over een aansluitovereenkomst met de gebouweigenaar of toekomstige gebouweigenaar als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid; de Autoriteit Consument en Markt: binnen de termijn, bedoeld in tweede lid, niet heeft aangegeven dat een besluit aangevraagd dient te worden, of bij besluit heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b. 5. De vrijstelling op grond van het vierde lid geldt voor het gebied waarvoor de aansluitovereenkomst of aansluitovereenkomsten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, gelden. 6. Het warmtebedrijf zendt binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn het college: de aansluitovereenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a; de mededeling van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het tweede lid, en het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het tweede lid, waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien de Autoriteit Consument en Markt in de mededeling op grond van het tweede lid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid moet indienen. 7. Het college zendt een afschrift van de informatie, genoemd in het zesde lid, aan de Autoriteit Consument en Markt en meldt voor welk gebied de vrijstelling op het grond van het vierde lid geldt. 8. Het warmtebedrijf meldt het college onmiddellijk indien redelijkerwijs te voorzien is dat het collectief warmtesysteem waarvoor de vrijstelling op grond van het vierde lid geldt geen klein collectief warmtesysteem meer is als bedoeld in het eerste lid. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de wijze waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan en de bij de melding te verstrekken gegevens en bescheiden; de gronden, genoemd in het tweede lid; de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt. 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde lid; de wijze waarop het gebied, bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel