Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.2

Artikel 3.2

ontheffing

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf voor een klein collectief warmtesysteem buiten een warmtekavel voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ontheffing verlenen van artikel 1.2, eerste lid. In de ontheffing wordt het gebied aangegeven waarvoor de ontheffing geldt. 2. Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om een ontheffing indient, meldt het warmtebedrijf aan de Autoriteit Consument en Markt het voornemen een aanvraag in te dienen. 3. De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding mede of het een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moet indienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf: voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft; voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren. 4. Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid het warmtebedrijf heeft gemeld dat een aanvraag om een besluit moet worden ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5. Het warmtebedrijf overlegt bij een aanvraag om een ontheffing in ieder geval: de mededeling van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid naar aanleiding van de melding van het warmtebedrijf, en, het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het derde lid, waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien de Autoriteit Consument en Markt in de mededeling op grond van het derde lid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid moet indienen; een indicatie van de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte aan kleinverbruikers. 6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om een ontheffing die betrekking heeft op een gebied binnen een warmtekavel indien: het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft; het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied op de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren; het klein collectief warmtesysteem onlosmakelijk verbonden is met een ander klein collectief warmtesysteem en deze systemen gezamenlijk geen klein collectief warmtesysteem zijn; aannemelijk is dat op termijn het klein collectief warmtesysteem waarvoor ontheffing wordt aangevraagd geen klein collectief warmtesysteem meer zal zijn; het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement meer kan behalen; het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf significant verhoogd zullen moeten worden; het aannemelijk is dat de in de aanvraag beschreven gevolgen voor verbruikers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn; een aansluitovereenkomst als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid, met de gebouweigenaar of toekomstige gebouweigenaar ontbreekt. 7. Het zesde lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in het derde lid, heeft genomen waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden genoemd in het derde lid, onderdelen a en b. 8. Het college kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden. 9. Het warmtebedrijf meldt het college onmiddellijk indien redelijkerwijs te voorzien is dat het collectief warmtesysteem waarvoor een ontheffing is verleend geen klein collectief warmtesysteem meer is. 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een ontheffing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college een besluit neemt; de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; de gronden, genoemd in het derde lid. 11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en achtste lid. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel