Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.5

Artikel 3.11

ontheffing normen uitstoot broeikasgassen

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een warmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode ontheffing verlenen van de normen bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, voor een klein collectief warmtesysteem als bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, indien: dit klein collectief warmtesysteem afhankelijk is van een niet-duurzame warmtebron die het klein collectief warmtesysteem voor een groot deel van warmte voorziet, en aannemelijk is dat het warmtebedrijf niet kan voldoen aan de normen bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, doordat de vervanging van de niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is. 2. De Autoriteit Consument en Markt kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van een warmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffing verlengen. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden; de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot ontheffing neemt; de periode, bedoeld in het eerste lid; wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel