Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.3

Artikel 3.4

intrekken vrijstelling en ontheffing

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dat een besluit als bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, of 2.21, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, is genomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, niet langer geldig te laten zijn, of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, in te trekken omdat het warmtebedrijf: niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 3.7 uit te voeren, met uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel g; in strijd handelt met artikel 2.14, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8; vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm. 2. De vrijstelling geldt niet langer of het college trekt de ontheffing in indien: het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen; de vrijstelling of ontheffing geen betrekking meer heeft op een klein collectief warmtesysteem. 3. De vrijstelling geldt niet langer, of het college kan de ontheffing intrekken indien het warmtebedrijf: de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt; in de aanvraag om een ontheffing of in de melding op grond van artikel 3.1, eerste of zesde lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; hierom verzoekt. 4. De vrijstelling geldt nog of de ontheffing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, niet ingetrokken voordat voor een ander warmtebedrijf een vrijstelling geldt of aan een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.2, eerste lid, een ontheffing is verleend voor het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft, of aan een ander warmtebedrijf een aanwijzing is verleend voor het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft: tenzij het college op basis van het plan, bedoeld in het vijfde lid, heeft vastgesteld dat een doelmatige en kosteneffectieve exploitatie binnen het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt niet meer kan worden geborgd en de verbruikers binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na publicatie van dat plan de gelegenheid hebben gehad over te gaan naar een alternatieve warmtevoorziening; met dien verstande dat de vrijstelling in alle gevallen niet meer geldt of de ontheffing in alle gevallen wordt ingetrokken uiterlijk drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, is gemeld aan het college overeenkomstig het eerste lid. 5. Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn voor een ander warmtebedrijf geen vrijstelling geldt, aan een ander warmtebedrijf geen ontheffing is verleend dan wel geen ander warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen, stelt het college een plan op waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikers van het warmtebedrijf kan worden verzekerd. 6. Indien de ontheffing op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt ingetrokken wordt het warmtebedrijf alleen een aangewezen warmtebedrijf voor het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing gold als het aangewezen warmtebedrijf een warmtebedrijf of warmtegemeenschap als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, is. Het gebied wordt geacht een warmtekavel te zijn. De beperkingen en voorschriften verbonden aan de ontheffing gaan gelden als aan de aanwijzing verbonden beperkingen en voorschriften. 7. In afwijking van het zesde lid kan tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel het aangewezen warmtebedrijf ook een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap zijn, als er geen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of geen warmtegemeenschap binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn bij het college kenbaar heeft gemaakt de aanwijzing over te willen nemen. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: de gronden, genoemd in het tweede en derde lid; de procedure en voorwaarden die gelden als een vrijstelling niet langer geldt of een ontheffing wordt ingetrokken. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot: de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijf een ontheffing verleent of een ander warmtebedrijf aanwijst; de inhoud van het plan, bedoeld in het vijfde lid, en de termijn waarbinnen een ander warmtebedrijf een vrijstelling verkrijgt en het college het plan moet hebben opgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel