Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.4

Artikel 3.7

taken

Onderdeel van Wet collectieve warmte· Ondernemingspraktijk

1. Het warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend heeft uitsluitend tot taak om in het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt: een klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden; warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aan degene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen het gebied aangelegd klein collectief warmtesysteem, waarbij warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen worden; zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte met inachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening; warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparante en redelijke voorwaarden; de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen; de veiligheid van het klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze te waarborgen; de duurzaamheid van het klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze te waarborgen; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectief warmtesysteem; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectief warmtesysteem maar alsnog heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar na de aanleg of uitbreiding van het klein collectief warmtesysteem heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binnen een redelijke termijn af te sluiten van het klein collectief warmtesysteem; het verbruik van warmte van een op het klein collectief warmtesysteem aangesloten verbruiker te meten; ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmtekostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast; een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiënt gebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereenkomst nodig heeft; ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een afleverset voor warmte indien: een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen; een nieuwe afleverset voor warmte dient te worden geïnstalleerd in een nieuw of bestaand gebouw, tenzij dit voor de levering van warmte niet noodzakelijk is; zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een verbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler en afleverset voor warmte; het warmtenet als geheel in balans te houden en te waarborgen dat onbalans tussen warmte of koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van het klein collectief warmtesysteem, op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd of voorkomen. 2. Indien een gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heeft het warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht, tenzij: het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden. 3. Het warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenet waarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is van overeenkomstige toepassing. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in het derde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf of een warmtebedrijf met een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, of indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 1.2, derde lid. 5. Een warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, werkzaamheden laten uitvoeren door een derde. Het warmtebedrijf behoudt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden. 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel