Het recht op transport
Transport vindt plaats op grond van een tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene te sluiten transportovereenkomst en zal voorts alleen plaatsvinden indien de aangeslotene tevens op grond van een geldige aansluitovereenkomst recht heeft op aansluiting en indien bij de distributiesysteembeheerder bekend is welke partijen ten behoeve van de desbetreffende aansluiting optreden als leverancier, balanceerverantwoordelijke en meetverantwoordelijke.
Indien de aangeslotene voldoet aan het bepaalde in 3.1.1 heeft de aangeslotene recht op transport van gas binnen het distributiesysteem waarop hij is aangesloten tot een hoeveelheid ter grootte van de op de aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit dan wel, indien het de aansluiting van een profielverbruiker betreft, een met de G-waarde van de meetinrichting bij de aansluiting overeenkomende capaciteit.
Een telemetrieverbruiker heeft het recht om de gecontracteerde transportcapaciteit aan te passen, uitgezonderd:
indien de telemetrieverbruiker verzoekt om verlaging van de gecontracteerde transportcapaciteit binnen 12 maanden na aanvang van een eerdere verhoging, tenzij er sprake is van sterk gewijzigde omstandigheden bij de telemetrieverbruiker die vooraf niet in redelijkheid hadden kunnen worden voorzien;
indien de distributiesysteembeheerder niet op de gewenste termijn over voldoende transportcapaciteit kan beschikken.
Een aanpassing van de gecontracteerde transportcapaciteit is van kracht met ingang van de maand volgend op de instemming met en de uitvoering van het verzoek door de distributiesysteembeheerder.
Binnen 10 werkdagen na het indienen van het verzoek tot aanpassing van de transportcapaciteit informeert de distributiesysteembeheerder de aangeslotene of hij instemt met het verzoek.
In het geval de distributiesysteembeheerder niet instemt, licht de distributiesysteembeheerder de reden hiervoor aan de aangeslotene toe.
Het recht op transport – aanvullende voorwaarden voor invoeders
In afwijking van 3.1.2 heeft de invoeder recht op transport van het in te voeden gas binnen het systeemgebied tot een hoeveelheid ter grootte van de momentane gasafname in dit systeemgebied mits de bedrijfszekerheid in het systeemgebied, in de zin van het drukbeheer in het systeemgebied, niet in gevaar komt.
Indien op grond van 3.1a.1 transportcapaciteit aan een invoeder is toegekend en de invoeder maakt hiervan na toekenning geen (volledig) gebruik, heeft de distributiesysteembeheerder de mogelijkheid om in overleg met en na instemming van de invoeder de transportcapaciteit in te trekken. Zo nodig stelt de distributiesysteembeheerder de invoeder een redelijke termijn van tenminste een half jaar, indien de invoeder bij voortduring geen (volledig) gebruik maakt van de toegekende transportcapaciteit, alvorens deze toekenning voor het niet gebruikte deel wordt ingetrokken.
Indien binnen een systeemgebied, waarop reeds één of meer invoedingsinstallaties zijn aangesloten en invoeden, een nieuwe invoedingsinstallatie wordt aangesloten en wil invoeden, en deze nieuwe invoedingsinstallatie de aan de bestaande invoeder(s) beschikbaar gestelde transportcapaciteit nadelig kan beïnvloeden door de instellingen van de drukregeling, treft de distributiesysteembeheerder zo mogelijk maatregelen in het systeem om deze nadelige invloed op te heffen.
Indien de in 3.1a.3 genoemde maatregelen ontoereikend zijn, worden maatregelen getroffen in de aansluitingen van zowel de bestaande als de nieuwe invoedingsinstallaties, zodat de overeengekomen transportcapaciteiten met de bestaande invoeders blijven gewaarborgd.
De invoeders zullen bij de toepassing van 3.1a.4 de distributiesysteembeheerder toestaan om maatregelen te (laten) treffen die nodig zijn om dit door middel van volume- en drukregeling te kunnen regisseren.
De in 3.1a.3 bedoelde nieuwe invoedingsinstallatie mag invoeden voor zover het momentane invoedvolume niet groter is dan het verschil tussen de momentane afname in het systeemgebied en het momentane invoedvolume van de reeds eerder aangesloten invoedingsinstallaties.
Om de uitvoering van 3.1a.6 mogelijk te maken, staat de invoeder toe dat de distributiesysteembeheerder van de individuele invoeders in een systeemgebied continu volumegegevens van de invoeding ontvangen.
Indien de aansluiting niet is of wordt voorzien van een gaskwaliteitsmeting conform 5a.6 van de Meetcode gas RNB, dient de calorische waarde van het in te voeden gas groter of gelijk te zijn aan het gemiddelde van de maandwaarden van de calorische waarde van het gas dat gedurende de afgelopen twaalf maanden vanuit het transmissiesysteem in het desbetreffende systeemgebied is ingevoed.
[vervallen]
[vervallen]
De bewaking van de kwaliteit van de transportdienst
Een distributiesysteembeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke distributiesysteembeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van de onderwerpen, genoemd in artikel 3.36 lid 5 van het Energiebesluit. Deze werkwijze omvat tevens de wijze waarop een distributiesysteembeheerder de prestatie-indicatoren, bedoeld in artikel 3.29, lid 1 en lid 2 van de Energieregeling, onderdeel h van het Energiebesluit, vaststelt. De gezamenlijke distributiesysteembeheerders maken de werkwijze openbaar.
De distributiesysteembeheerder bewaakt of controle van de ruikbaarheid van het gas overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Meetcode gas LNB wordt uitgevoerd.
De distributiesysteembeheerder bewaakt of controle van de gaskwaliteit, tot uitdrukking komend in de calorische waarde, de Wobbe-index en de chemische samenstelling, overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Meetcode gas LNB wordt uitgevoerd.
Bij de eerste ingebruikname van een invoedingsinstallatie wordt de invoeding niet eerder gestart dan nadat de invoeder aantoont dat de invoedingsinstallatie voldoet aan 2.5.2 en dat de kwaliteit van het in te voeden gas stabiel binnen de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit is en blijft, blijkend uit de kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.2 en 5a.2.3 van Meetcode gas RNB en de rapportage bedoeld in 5a.4.1.3 van de Meetcode gas RNB.
De invoeding wordt door middel van automatische afschakeling direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen. De invoeding wordt niet eerder herstart dan nadat uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen is gebleken dat de kwaliteit van het in te voeden gas binnen de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling genoemde grenzen voor de gaskwaliteit is gekomen.
De invoeding wordt direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit de periodieke kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.5 van de Meetcode gas RNB, indien sprake is van een nog steeds voortdurende overschrijding van de genoemde grenzen. Bij overige gesignaleerde overschrijdingen geeft de invoeder aan dat de oorzaak van de opgetreden overschrijding inmiddels is weggenomen.
Indien de invoeding op grond van 3.4.6 is onderbroken vanwege een overschrijding, anders dan van de grenswaarden voor de Wobbe-index en/of de componenten die de Wobbe-index bepalen, dient de invoeder te onderzoeken wat oorzaak is van het niet voldoen aan de gaskwaliteit en over welke periode van invoeding niet aan de gestelde eisen is voldaan. De invoeding wordt niet eerder hervat dan nadat de invoeder heeft aangegeven welke maatregelen hij treft om herhaling ervan te voorkomen en hij over deze maatregelen overeenstemming heeft bereikt met de distributiesysteembeheerder.
De invoeder maakt tenminste vijf werkdagen van tevoren bekend wanneer hij voornemens is een invoedingsinstallatie in onderhoud te nemen, dan wel deze om andere redenen buiten bedrijf te stellen, dan wel wanneer de invoeding van gas om andere redenen gepland zal worden onderbroken.
De invoeding wordt direct onderbroken indien één of meer van de in 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.6 genoemde voorzieningen niet goed functioneert.
De distributiesysteembeheerder kan, in gevallen zoals bedoeld in 2.5.1.4, nadere eisen stellen aan de invoeder van gas over het controleren van het in te voeden gas. De invoeder van gas legt de distributiesysteembeheerder een procedure voor waarin is aangegeven hoe de invoeder de controle zal uitvoeren. Na goedkeuring van deze procedure van de distributiesysteembeheerder kan invoeding plaats vinden.
De distributiesysteembeheerder kan op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het bij aangeslotenen af te leveren gas zelf controlemetingen (laten) uitvoeren op de aansluiting waar gas wordt ingevoed.
Artikel 3
Voorwaarden met betrekking tot de transportdienst
Onderdeel van Aansluit- en transportcode gas DSB· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026